In deze zaak vordert een werknemer dat wordt vastgesteld dat zijn ex-werkgever de verplichtingen ten aanzien van re-integratie heeft geschonden. Ook vordert de werknemer doorbetaling van loon tijdens ziekte. De kantonrechter wijst de vorderingen af.
De vorderingen van de werknemer gaan namelijk over een periode dat de arbeidsovereenkomst al was geëindigd. Na afloop daarvan had de werkgever geen verplichtingen meer tot re-integratie en loonbetaling op basis van de arbeidsovereenkomst.
De vordering van de werknemer die ziet op de verplichting tot re-integratie en betaling van ZW-uitkering door de ex-werkgever als eigenrisicodrager, is niet-ontvankelijk. Die vordering hoort thuis in een bestuursrechtelijke procedure en bij de bestuursrechter, niet bij de kantonrechter.
Tekortgeschoten in re-integratieverplichtingen?
De vordering van de werknemer dat de werkgever is tekortgeschoten in zijn re-integratieverplichtingen tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst, dus van 31 mei 2023 tot 22 mei 2024, moet niet-ontvankelijk worden verklaard.
De werkgever heeft terecht gesteld dat de werknemer op grond van de wet bij zijn vordering een deskundigenverklaring van UWV moet overleggen. De vordering van de werknemer moet namelijk worden aangemerkt als een vordering tot nakoming van re-integratieverplichtingen en in dat geval is het overleggen van een deskundigenverklaring wettelijk vereist.
Geen deskundigenverklaring
De werknemer heeft geen deskundigenverklaring overgelegd en de kantonrechter ziet ook geen aanleiding daartoe alsnog de gelegenheid te geven. De vordering is daarom niet-ontvankelijk. Dit betekent dat niet aan een inhoudelijke beoordeling daarvan wordt toegekomen.
Er is geen sprake van een uitzondering op de verplichting tot het overleggen van een deskundigenverklaring. Daarover is door de werknemer ook niets gesteld.
Voor zover een verklaring voor recht wordt gevorderd wegens een schending van goed werkgeverschap, is de vordering ook niet-ontvankelijk. Die vordering heeft namelijk geen zelfstandige betekenis, maar is uitsluitend gebaseerd op de stelling dat de werkgever zijn re-integratieverplichtingen heeft geschonden.
Geen gevolgen of aanspraken
De werkgever moet ook worden gevolgd in zijn betoog dat de werknemer geen belang heeft bij de gevraagde verklaring voor recht dat de werkgever zijn re-integratieverplichtingen heeft geschonden tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst.
De werknemer verbindt daaraan namelijk geen gevolgen of aanspraken. Met name vordert de werknemer geen schadevergoeding of loon en hij stelt daar ook niets over. Ook is niet gebleken dat de werkgever een loonsanctie heeft uitgevoerd of toegepast tijdens het dienstverband. Het ontbreken van belang is ook een reden om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.
Geen deugdelijke toelichting
De werknemer heeft ook onvoldoende gemotiveerd dat de werkgever zijn re-integratieverplichtingen heeft geschonden. De werknemer heeft alleen maar gesteld dat sprake is van een schending, zonder deugdelijke toelichting of onderbouwing. De enkele verwijzing naar de weergave in de dagvaarding van het feitelijk verloop van de re-integratie is daarvoor niet genoeg.
Voor de opmerking dat de werknemer niet op juiste wijze is geïnformeerd over de re-integratie, geldt hetzelfde. Daarbij komt dat uit de stukken blijkt dat de werknemer wel is geïnformeerd en dat een enkel gebrek aan informatie nog geen schending van re-integratieverplichtingen oplevert.
Einde arbeidsovereenkomst
De vordering van de werknemer om een verklaring voor recht dat de werkgever is tekortgeschoten in zijn re-integratieverplichtingen na 22 mei 2024 moet worden afgewezen, omdat daarvoor geen grondslag bestaat.
Vast staat dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen is geëindigd op 22 mei 2024. Dit betekent dat de werkgever na 22 mei 2024 geen re-integratieverplichtingen meer had tegenover de werknemer op basis van de arbeidsovereenkomst. Er is dus ook geen grond om voor recht te verklaren dat de werkgever op en na 22 mei 2024 verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst heeft geschonden.
Loonvordering
De werknemer vordert subsidiair betaling van € 29.541,36 bruto aan loon over de periode van 10 juni 2024 tot en met 31 mei 2025, waarbij hij stelt dat de werkgever tot 31 mei 2025 een verplichting heeft tot loondoorbetaling tijdens ziekte.
Ook deze vordering moet worden afgewezen, wegens het ontbreken van een grondslag daarvoor. Na 22 mei 2024 is er geen arbeidsovereenkomst meer op grond waarvan de werknemer recht heeft op loon.
Eigenrisicodrager
Kennelijk gaat (de gemachtigde van) de werknemer ervan uit dat de werkgever als eigenrisicodrager voor de Ziektewet een verplichting heeft tot doorbetaling van loon tijdens ziekte. Dat uitgangspunt klopt niet.
Een (ex-)werkgever die eigenrisicodrager is, betaalt namens UWV de ZW-uitkering aan een (ex-)werknemer. De eigenrisicodrager verricht ook namens UWV werkzaamheden ten aanzien van de re-integratie en bereidt besluiten namens UWV voor.
‘Uitvoerder’ namens UWV
Een eigenrisicodrager heeft deze verplichtingen dus op grond van de Ziektewet en als ‘uitvoerder’ namens UWV. Die verplichtingen volgen niet uit de arbeidsovereenkomst en er is ook geen verplichting tot doorbetaling van loon.
Aanspraken in kader van Ziektewet
De werknemer beoogt ook met zijn vorderingen dat een oordeel wordt gegeven over de re-integratie door de werkgever na 10 juni 2024 en met het oog op de aanspraken van de werknemer in het kader van de Ziektewet. Voor zover de vordering daarop ziet, is die vordering niet-ontvankelijk, om de volgende reden.
Schorsing en weigering ZW-uitkering
De betaling van de ZW-uitkering door de werkgever als eigenrisicodrager is met ingang van 10 juni 2024 geschorst door een beslissing van UWV van 28 juni 2024. Daarbij is als reden voor de schorsing vermeld dat de werknemer weigert mee te werken aan re-integratie. De ZW-uitkering is daarna geweigerd door een beslissing van UWV van 21 augustus 2024.
Als de werknemer het niet eens is met de schorsing en weigering van de ZW-uitkering, moet hij bezwaar maken en eventueel beroep indienen tegen de beslissingen daarover van UWV, volgens de regels van het bestuursrecht. Daarover oordeelt de bestuursrechter, niet de kantonrechter.
Uitspraak Rechtbank Noord-Holland, 18 maart 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:3230

