Vaststellingsovereenkomst met beëindigingsvergoeding. Vraag of aanspraak bestaat op een hogere beëindigingsvergoeding kan de kantonrechter niet beoordelen wegens overeengekomen finale kwijting.
Het meest verstrekkende verweer van de werkgever is dat partijen finale kwijting zijn overeengekomen in de vaststellingsovereenkomst waarmee deze kwestie definitief is afgewikkeld.
De werknemer heeft daartegen aangevoerd dat de werkgever nog niet op de brief van de werknemer met het verzoek om een herberekening had gereageerd en de begeleidingscommissie nog geen uitspraak had gedaan, zodat de werkgever redelijkerwijs niet de conclusie mocht trekken dat de werknemer met de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst zijn aanspraken op een hogere en correct berekende beëindigingsvergoeding wilde prijsgeven.
Finale kwijting
Partijen twisten dan ook over de vraag of de finale kwijting die is overeengekomen ook ziet op de (hoogte van de) beëindigingsvergoeding.
De kantonrechter stelt voorop dat het hier gaat om een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 Burgerlijk Wetboek (BW). Een vaststellingsovereenkomst is naar zijn aard bedoeld om een einde te maken aan één of meer geschillen tussen partijen en eenduidig de rechtsverhouding tussen partijen te regelen.
Mede tegen die achtergrond geldt dat de bewoordingen van de vaststellingsovereenkomst erop wijzen dat daarmee is beoogd een definitieve en allesomvattende regeling te treffen ten aanzien van alle mogelijk tussen partijen bestaande geschillen.
Zo is onder punt F. van de vaststellingsovereenkomst expliciet vermeld: “dat Partijen hebben overlegd over de voorwaarden van het eindigen van de Arbeidsovereenkomst om tegen finale kwijting een allesomvattende regeling te treffen, met het oog daarop geen vordering onbesproken is gelaten en Partijen geen vordering van deze regeling uitsluiten;” en in artikel 12 van de vaststellingsovereenkomst: “Uitvoering van de VSO strekt over en weer tot finale kwijting van alle vorderingen uit de Arbeidsovereenkomst en de beëindiging daarvan.”
Verder acht de kantonrechter van belang dat partijen voor het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst hebben gediscussieerd over de hoogte en wijze van berekening van de beëindigingsvergoeding, waardoor deze kwestie bij beide partijen ten tijde van de ondertekening bekend was.
Geen voorbehoud gemaakt bij ondertekenen
Als de werknemer – die voorafgaand en tijdens het tekenen van de vaststellingsovereenkomst juridische bijstand had van zijn gemachtigde – van mening was dat deze kwestie over de beëindigingsvergoeding was uitgezonderd van de finale kwijting, had het op zijn weg gelegen om dat als voorbehoud op te nemen bij het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst.
Nu de werknemer geen voorbehoud heeft gemaakt terwijl de kwestie wel onderdeel was van de onderhandelingen, mocht de werkgever er redelijkerwijs met de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst door de werknemer en op grond van de in deze vaststellingsovereenkomst opgenomen finale kwijting van uitgaan dat de werknemer niet langer vasthield aan zijn standpunt dat de daarin vermelde beëindigingsvergoeding onjuist was en hij zijn aanspraak wilde behouden op een herberekening.
De stelling van de werknemer dat hij de vaststellingsovereenkomst heeft ondertekend om aanspraak te behouden op de tekenbonus, maakt dat niet anders.
Ook dan had de werknemer immers een voorstel tot het door hem gewenste voorbehoud kunnen doen en, in het geval de werkgever daar niet mee akkoord zou gaan, had de werknemer de keuze om voor de tekenbonus te gaan of de, in zijn ogen, hogere beëindigingsvergoeding op grond van het sociaal plan.
Dat de begeleidingscommissie nog geen uitspraak had gedaan over deze kwestie en de werkgever nog niet op de laatste brief van (de gemachtigde van) de werknemer had gereageerd, zijn op zichzelf en zonder meer onvoldoende om tot het oordeel te leiden dat het voor de werkgever duidelijk had moeten zijn dat de kwestie over de beëindigingsvergoeding zou zijn uitgezonderd van de finale kwijting.
Ook voor bepalingen over beëindigingsvergoeding
De kantonrechter is daarom van oordeel dat de finale kwijting ook ziet op de in de vaststellingsovereenkomst opgenomen bepalingen over de beëindigingsvergoeding. Dit betekent dat aan de inhoudelijke beoordeling van het geschil niet wordt toegekomen. De kantonrechter wijst de vorderingen van de werknemer af.
Uitspraak Rechtbank Limburg, 13 mei 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:4708

