Docent treedt in dienst terwijl hij de pensioengerechtigde leeftijd al heeft bereikt. De school gaat na negen jaar dienstverband uit van een einde van rechtswege, omdat steeds arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd van één jaar gesloten zijn. Ketenregeling. ‘Botsing’ van regimes: arbeidsrechtelijke bescherming van werknemer en cao-bepaling over onbevoegde docenten. Arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. Docent heeft recht op billijke vergoeding.
Ketenregeling
Was er een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd of is in de loop van de tijd een overeenkomst voor onbepaalde tijd ontstaan? De docent doet in dit verband een beroep op de ketenregeling en wijst erop dat hij in totaal negen jaar, steeds op basis van een jaarcontract, bij de school werkt.
Botsing regimes
De school ziet in dat de ketenregeling betekent dat inmiddels een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou zijn ontstaan. De school heeft er echter op gewezen dat zowel de Wet voortgezet onderwijs 2020 als de cao Voortgezet Onderwijs 2024-2025 bepalen dat onbevoegde docenten niet in dienst kúnnen zijn op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaald tijd.
In die ‘botsing’ tussen twee wettelijke en cao-regimes, komt de beperking van de mogelijkheden voor onbevoegde docenten als winnaar uit de strijd, aldus de school.
De kantonrechter deelt die opvatting niet. De ketenregeling – die overigens ook letterlijk in de cao staat – is een wezenlijk onderdeel van het arbeidsrecht, dat ingericht is ter bescherming van de werknemer. Dit kan niet worden aangetast door een branchespecifieke bepaling die niet arbeidsrechtelijk is, maar gericht is op optimalisatie van de kwaliteit van het onderwijs.
Vast contract ontstaan
Het is aan de werkgever om die wettelijke regels toe te passen en te zorgen dat hij daaraan voldoet. Dat dit niet gebeurt, is niet voor rekening van de werknemer. De kantonrechter concludeert dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan.
Opzegging
Hoe moet het handelen van de school worden gekwalificeerd? De school heeft het einde van de arbeidsovereenkomst – in haar ogen nog: arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd – aangezegd tegen 1 augustus 2025. Aan de docent is medegedeeld dat er geen werk meer voor hem is, de docent heeft niet meer gewerkt en de school heeft geen loon meer betaald. Dat handelen is te kenmerken als een opzegging.
Billijke vergoeding
De docent heeft zich bij die opzegging neergelegd en maakt aanspraak op de billijke vergoeding.
Een inschatting moet worden gegeven hoe lang de arbeidsovereenkomst nog zou hebben voortgeduurd, als deze niet onregelmatig was opgezegd. De kantonrechter oordeelt dat dit slechts enkele maanden zou zijn geweest, omdat het waarschijnlijk is dat een rechter het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst door werkgever zou toewijzen. Deze ontbinding zou waarschijnlijk hebben plaatsgevonden per 1 januari 2026.
€ 15.000 bruto
Hiermee is de docent 5 maanden loon (te vermeerderen met vakantietoeslag en eindejaarsuitkering) misgelopen. Het inkomensverlies wordt daarmee vastgesteld op grofweg € 13.500. De kantonrechter verhoogt dit bedrag tot € 15.000 bruto. De reden daarvoor is als volgt.
Duidelijk is dat de school de docent waardeerde; als mens en als waardevolle kracht voor haar organisatie. Voor de kantonrechter is ook duidelijk geworden dat de docent ondanks (of misschien wel juist: door) zijn leeftijd bijzonder goed was in zijn werk.
Erg lang laten ‘bungelen’
Hoewel zonder kwade bedoelingen gedaan, heeft de school de docent vanuit zakelijk oogpunt wel erg lang laten ‘bungelen’ in onzekerheid door steeds jaarcontracten af te sluiten (terwijl dat eigenlijk niet meer mocht) en dat heeft de school al die tijd – ook nog in de aanloop naar en tijdens deze procedure – vastgehouden, terwijl zij beter had moeten weten. Deze onhandige en ongelukkige gang van zaken wil de kantonrechter tot uitdrukking brengen in de vergoeding.
Uitspraak Rechtbank Noord-Holland, 14 november 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:13259

