Het gaat in deze zaak over de vraag of UWV terecht het WIA-dagloon heeft vastgesteld op €36,51. UWV heeft voor een periode van onbetaald verlof het loon in aanmerking genomen van het eerste loonaangiftetijdvak na het verlof. Volgens de vrouw had UWV rekening moeten houden met het inkomen dat zij gewend was te verdienen voor het verlof. De Centrale Raad van Beroep volgt dit standpunt van de vrouw niet.
Wat speelt er in deze zaak?
De vrouw werkte als verzorgende Individuele Gezondheidzorg (IG). Zij heeft vanaf 7 februari 2019 tot en met 30 mei 2019 een uitkering genoten vanwege zwangerschap en bevalling op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO). Aansluitend heeft zij vanaf 1 juni 2019 tot en met 30 november 2019 onbetaald ouderschapsverlof opgenomen. Zij heeft zich op 30 juni 2020 ziekgemeld voor haar werk als verzorgende IG voor 9,46 uur per week.
Eerst heeft UWV geweigerd de vrouw een WIA-uitkering toe te kennen, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% is. Aan de vrouw is toen een WW-uitkering toegekend naar een dagloon van € 45,11.
De vrouw heeft bezwaar gemaakt tegen de weigering van de WIA-uitkering. UWV heeft op 14 augustus 2023 laten weten het voornemen te hebben een WIA-uitkering toe te kennen naar een dagloon van €36,51, uitgaande van een referteperiode van 1 juni 2019 tot en met 31 mei 2020. De vrouw heeft hierop gereageerd en laten weten dat het dagloon te laag is.
‘Loon niet representatief’
De vrouw vindt het niet terecht is dat voor de toepassing van artikel 17 van het Dagloonbesluit wordt uitgegaan van het loon van de maand december 2019, omdat het loon in de eerste maanden van 2019 veel hoger was. Zij heeft erop gewezen dat zij in december 2019 niet de gebruikelijke ORT ontving, waardoor dit loon niet representatief is.
Verder heeft zij erop gewezen dat de ORT over de maand december 2019 in januari 2020 is uitbetaald, en dus niet wordt geacht te zijn genoten in december, terwijl dat bedrag volgens haar wel hoort bij december 2019. Dat werkt in haar nadeel.
Inkomen voor zwangerschapsverlof 20% hoger
De vrouw betoogt dat de uitkomst conform de regels van het Dagloonbesluit is, maar dat het Dagloonbesluit hierin dan tekortschiet. Daarbij heeft de vrouw erop gewezen dat haar inkomen in de periode voor het zwangerschapsverlof 20% hoger ligt en dat het dagloon van de WW-uitkering die eerst aan haar was toegekend hoger was dan het WIA-dagloon.
Aangiftetijdvak direct na afloop verlof
In artikel 17 van het Dagloonbesluit is geregeld dat als de werknemer in een aangiftetijdvak in de referteperiode geen of minder loon heeft genoten vanwege verlof, als loon in aanmerking wordt genomen het loon dat is genoten in het laatste aangiftetijdvak bij diezelfde werkgever voorafgaande aan het verlof. Als dat tijdvak buiten de referteperiode ligt wordt het loon in aanmerking genomen over het aangiftetijdvak direct na afloop van het verlof.
Tussen partijen is niet in geschil dat UWV door uit te gaan van het loon in de maand direct volgend op het verlof het dagloon heeft vastgesteld in overeenstemming met artikel 17, tweede lid, van het Dagloonbesluit.
Lager dagloon
Tussen partijen is uitsluitend nog in geschil of UWV bij de vaststelling van het dagloon er rekening mee had moeten houden dat de vrouw in het tijdvak voor het verlof een hoger inkomen had dan in het tijdvak direct na het verlof (december 2019), omdat in december 2019 geen ORT is uitbetaald. De wijze van vaststelling waarbij het loon zonder ORT in aanmerking wordt genomen, leidt namelijk tot een lager dagloon.
Volgens de vrouw pakt dagloonvaststelling in haar geval onevenwichtig uit, zodat artikel 17 van het Dagloonbesluit wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel buiten toepassing moet worden gelaten. De Raad volgt de vrouw hierin niet.
Daarnaast geldt dat de Raad in de uitspraak van 10 juli 2024 over de in het Dagloonbesluit getroffen regeling voor het dagloon voor de WW, de Ziektewet en WAZO heeft overwogen dat deze geschikt is om het doel dat de besluitgever daarmee voor ogen heeft – het voorkomen dat het opnemen van onbetaald verlof een dagloonverlagend effect heeft – te bereiken. Aangiftetijdvakken waarin als gevolg van het opnemen van onbetaald verlof een lager loon is genoten worden namelijk buiten beschouwing gelaten, zodat deze geen invloed hebben op het dagloon.
Alternatief aangiftetijdvak
In plaats daarvan wordt uitgegaan van een alternatief aangiftetijdvak (eerste of tweede lid) dan wel het overeengekomen loon (derde lid). Voor betrokkenen zoals de vrouw, voor wie er geen aan het verlof voorafgaand aangiftetijdvak in het refertejaar ligt (eerste lid), wordt uitgegaan van het aangiftetijdvak direct na het eindigen van het verlof (tweede lid). Inherent aan deze regeling is dat betrokkenen die na afloop van het verlof minder zijn gaan verdienen hiervan nadelige financiële gevolgen ondervinden, omdat in deze gevallen wordt uitgegaan van het lagere loon in dat aangiftetijdvak. Hetzelfde geldt voor het met genoemde artikelen vergelijkbare artikel 17 van het Dagloonbesluit dat hier aan de orde is.
Historisch dagloon
Daarbij overweegt de Raad dat volgens vaste rechtspraak het dagloon dat is genoten in de referteperiode (historisch dagloon) bepalend is voor de vaststelling van het welvaartsniveau. Hieraan is inherent dat geen rekening wordt gehouden met vóór de referteperiode genoten inkomen. De wijze waarop het dagloon wordt berekend staat los van het arbeidsverleden en het daarin verdiende inkomen; het gaat erom wat in de referteperiode is genoten.
Dat de vrouw eerder gewend was een ORT te ontvangen maakt het niet onevenredig uit te gaan van het historisch dagloon.
Geen bijzondere omstandigheden
Er zijn geen bijzondere omstandigheden die maken dat toepassing van het Dagloonbesluit in het voorliggende geval tot een onevenredige uitkomst leidt. Dat UWV het WW-dagloon hoger heeft vastgesteld maakt dat niet anders. UWV heeft toegelicht dat het WW-dagloon in dit individuele geval verkeerd is vastgesteld. UWV is niet gehouden deze fout te herhalen. Ook het feit dat aan de vrouw vanwege de ernst van haar medische situatie een IVA-uitkering is toegekend, is geen bijzondere omstandigheid die aanleiding zou moeten geven om in afwijking van de wettelijke regels tot een hogere uitkering te komen.
Uitspraak Centrale Raad van Beroep, 23 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1557

