Nederland kent een stelsel met werknemersverzekeringen. Als een werknemer bijvoorbeeld ziek of werkloos wordt, kan hij onder voorwaarden (verschillend per verzekering) terugvallen op een uitkering. Deze uitkeringen worden gefinancierd uit fondsen: het Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof), de Werkhervattingskas (Whk), het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf) en het Uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo). Het beheer van de fondsen doet UWV als zelfstandig bestuursorgaan.
Werkgeverspremies
De fondsen worden gevuld met de inkomsten uit premies die werkgevers voor de werknemersverzekeringen betalen. Als in een jaar de inkomsten bij een fonds hoger zijn dan de uitgaven dan heeft het fonds een positief resultaat. Dat resultaat wordt toegevoegd aan het fondsvermogen. Als het resultaat negatief is, dan neemt het fondsvermogen af.
Fondsvermogens
De huidige fondsvermogens zijn in de afgelopen 12 jaar opgebouwd. In het verleden waren er periodes dat de sociale fondsen een negatief saldo hadden en geen overschot. De huidige situatie waarin er elk jaar een overschot is, bestaat vanaf 2016.
Het begrotingsoverschot dat alle sociale fondsen sindsdien gezamenlijk hebben, wordt vooral verklaard door het Aof en het AWf. De andere fondsen hebben gemiddeld vrijwel geen overschot of tekort.
Zo moet UWV de Whk-premie lastendekkend vaststellen en moet het kabinet de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw (iab-Zvw) zodanig vaststellen dat deze de helft van de Zvw-uitgaven dekt.
Jaarlijks vastgesteld
De Aof-, Awf- en Ufo-premie stelt het kabinet jaarlijks vast, zonder directe koppeling aan de uitgaven uit het betreffende fonds. De minister heeft beleidsruimte bij het vaststellen van de premietarieven. In de praktijk wordt die ruimte benut binnen het inkomstenkader.
Aof-premie
Vooral de Aof-premie is recent beleidsmatig verhoogd. Het gemiddelde premietarief van het Aof is sinds 2015 gestegen van 5,25 procent naar 7,36 procent in 2026. Dit komt vooral doordat de Aof-premie met 1,5%-punt is
gestegen ter compensatie van verlagingen van de premies voor de zorgverzekeringswet. De hogere Aof-premietarieven zorgen voor hogere inkomsten van het fonds, terwijl daar geen hogere uitgaven vanuit het fonds tegenover staan.
AWf-premie
De AWf-premie wordt beperkter ingezet als beleidsinstrument en is de afgelopen jaren relatief stabiel gebleven rond de 4 procent. Een uitzondering hierop vormde de tijdelijke verlaging van het premietarief in 2021. Deze beleidsmatige verlaging volgde op het intrekken van de Baangerelateerde Investeringskorting (BIK), waarvoor werkgevers werden gecompenseerd met een lager AWf-premietarief.
Vanaf 2011 kende het AWf een negatief fondsvermogen als gevolg van de hoge werkloosheidsuitgaven na de financiële crisis. Sinds 2018 is het fondsvermogen geleidelijk hersteld doordat de premie-inkomsten hoger waren dan de uitgaven, mede door lagere uitgaven aan de Werkloosheidswet (WW). Dit positieve saldo heeft vanaf 2023 geleid tot een overschot in het fonds. Het huidige overschot kan daarmee deels worden gezien als herstel na een conjuncturele dip.
Wet financiering sociale verzekeringen
De specifieke inkomsten en uitgaven van de fondsen zijn geregeld in de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv). De premies worden vastgesteld door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bij ministeriële regeling.
De Wfsv schrijft niet voor dat de Aof-, AWf- of Ufo-premies lastendekkend moeten worden vastgesteld. De minister heeft daarmee beleidsruimte bij het vaststellen van de premietarieven. In de praktijk wordt die ruimte benut binnen het inkomstenkader. Dit is anders bij de Whk-premie, waarvoor in de wet is vastgelegd dat UWV deze lastendekkend vaststelt.
De WIA-tegenvaller zal ervoor zorgen dat de lastendekkende Whk-premie hoger wordt vastgesteld.
Kabinetsperiode
Bij het aantreden van een kabinet legt de coalitie in het coalitieakkoord vast hoe het pad van inkomsten en uitgaven eruitziet voor de kabinetsperiode. Daarbij kan het kabinet keuzes maken over premies en uitgaven, met de gevolgen op de overheidsfinanciën van dien.
Tijdens de kabinetsperiode gebruikt het kabinet vervolgens begrotingsregels om de afgesproken kaders te bewaken.
Voor de uitgavenkant geldt een jaarlijkse maximumgrens: het zogenoemde uitgavenplafond. Het plafond wordt aan het begin van de kabinetsperiode bepaald voor de duur van de kabinetsperiode, al worden ze wel bijgesteld wat betreft loon- en prijsontwikkelingen.
Voor de inkomstenkant zorgt het inkomstenkader voor de financiële beheersing. Het inkomstenkader bevat alle effecten op de belasting- en premieontvangsten die het gevolg zijn van beleidswijzigingen. Tijdens de kabinetsperiode en structureel moeten alle extra lastenverzwaringen en lastenverlichtingen aan de inkomstenkant elkaar opheffen. Als het kabinet een belasting of premie verhoogt, dan is afgesproken dat een andere belasting of premie omlaag moet, en vice versa.
Verhoging Aof-premie
De Aof-premie is de afgelopen jaren meermaals verhoogd: soms in een coalitieakkoord maar vaker als compensatie van mee- of tegenvallers elders binnen het inkomstenkader. De stijging van het gemiddelde Aof-premietarief sinds 2015 is circa 2,1 procentpunt. De opbouw is globaal als volgt:
- Bijna 1,5 procentpunt van de stijging komt doordat de Aof premie is gebruikt om te werkgevers te compenseren voor de premies van de Zorgverzekeringswet (Zvw).
- Circa 0,2 procentpunt is voor nieuw beleid dat uit het Aof wordt betaald, zoals de compensatieregeling transitievergoedingen en betaald ouderschapsverlof, en voor beleid dat niet uit het Aof wordt betaald zoals de tegemoetkoming voor stoffengerelateerde beroepsziekten (TSB) en de uitgaven die samenhangen met het pensioenakkoord.
- Circa 0,25 procentpunt is ingezet als dekking binnen het inkomstenkader, onder andere om tegenvallers in box 2 en box 3 van de inkomstenbelasting te compenseren.
- Het resterende deel van de stijging (0,16 procentpunt) komt door technische en autonome ontwikkelingen, en wordt deels gedempt doordat de Aof-premie ook weleens beleidsmatig is verlaagd, bijvoorbeeld voor de compensatie van een hogere Whk-premie of voor lastenverlichting voor bedrijven.
Zorgverzekeringswet
De Zorgverzekeringswet (Zvw) wordt gefinancierd uit een nominale premie (te betalen aan de verzekeraar) en uit de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw (iabZvw). Voor werknemers betaalt de werkgever de iab-Zvw. Zelfstandigen en sommige uitkeringsontvangers betalen de iab-Zvw zelf. Voor het deel van de iab-Zvw dat door werkgevers wordt betaald, kiest het kabinet dan voor compensatie via een hogere Aof-premie.
Als de zorgpremies soms meevallen en soms tegenvallen, blijft het effect van de compensatie op het Aof beperkt. De afgelopen twaalf jaar vielen de zorgpremies echter vooral lager uit dan verwacht, waardoor de Aof-premie dus in veel kleine stappen substantieel is verhoogd.
Loon werknemer
Het nettoloon dat een werknemer ontvangt is lager dan de totale loonkosten die een werkgever maakt. Dit is het brutoloon minus door de werkgever ingehouden inkomstenbelasting, premie volksverzekeringen en eventuele pensioenpremies. De werkgever betaalt boven op het brutoloon werkgeverspremies, pensioenpremie en de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw.
Het totale verschil tussen het nettoloon en de totale loonkosten is de zogenoemde wig op arbeid. Een grotere wig op arbeid betekent dat het verschil tussen wat een werkgever betaalt en wat een werknemer ontvangt toeneemt.
Totale loonkosten
Bij de loonvorming spelen de totale loonkosten per werknemer een centrale rol. Een verhoging van de werkgeverspremies leidt tot hogere loonkosten en beperkt daarmee de loonruimte. Dit leidt tot een lagere cao-loonstijging. Omgekeerd geldt dat een verlaging van werkgeverspremies de loonruimte vergroot. Op de
langere termijn werkt een wijziging in de werkgeverslasten daardoor deels door in de cao-loonstijging en daarmee in het besteedbare inkomen van werknemers.
Een toename van de werkgeverslasten komt op lange termijn voor 25% bij de werkgever terecht in de
vorm van hogere loonkosten. De overige 75% wordt via lagere lonen door werknemers gedragen.
Effecten coalitieakkoord op premietarieven
Bij het Aof zijn er drie maatregelen die invloed hebben op de geraamde premietarieven.
Ten eerste de vrijheidsbijdrage van bedrijven. Deze is in het coalitieakkoord ingevuld als taakstellende verhoging van de Aof-premie met 0,43 procentpunt. De definitieve invulling van de vrijheidsbijdrage van bedrijven wordt nog besproken met werkgeversorganisaties en is onderdeel van de augustusbesluitvorming.
Ten tweede een compensatie voor een lagere iab-Zvw. De maatregelen in het coalitieakkoord bij de Zorgverzekeringswet zorgen voor lagere geraamde zorgpremies, zowel de nominale premie als de iab-Zvw. Voor bedrijven worden de lagere geraamde lasten, vanwege de iab-Zvw gecompenseerd door de Aof-premie te verhogen. Deze verhoging loopt op naar 0,30 procentpunt in 2030.
Ten derde versmalt de grondslag voor verschillende premies voor de werknemersverzekeringen door de maatregel uit het coalitieakkoord om het maximumpremieloon (het maximale loon waarover premies verschuldigd zijn) met 20 procent te verlagen. Deze maatregel hangt samen met het maximumdagloon (het maximale dagloon dat onder de verzekering valt). Hiervoor worden compenserende premieverhogingen doorgevoerd, zodat de inkomsten gelijk blijven. Dit komt neer op 0,45 procentpunt voor de Aof-premie, 0,22 procentpunt voor de AWf-premie en kleinere verhogingen bij de Whk, Ufo en opslag Wko.
Doorwerking premietarieven op lonen en koopkracht
Het CPB heeft bij de doorrekening van het coalitieakkoord het integrale effect van alle maatregelen uit het coalitieakkoord op de cao-loonstijging geraamd.
Uit de doorrekening blijkt dat de cao-loonstijging in de kabinetsperiode gemiddeld 0,1 procentpunt per jaar lager uitvalt dan in het basispad.
Tegenover de 0,30 procentpunt verhoging van de Aof-premie ter compensatie van de iab-Zvw staat een nagenoeg gelijke verlaging van de iab-Zvw voor werkgevers. Het netto-effect op de loonruimte is daarmee nihil.
De compenserende verhoging van de premies voor de verlaging van het maximumpremieloon is budgetneutraal: het hogere tarief compenseert de smallere grondslag door het lagere maximumpremieloon. Dat heeft een effect op de verdeling van premies voor verschillende werkgevers en werknemers, maar niet op de totale loonruimte. Hoe dit per werkgever uitpakt verschilt: bedrijven met vooral werknemers onder het maximumpremieloon zien hun premielast per saldo eerder stijgen, terwijl bedrijven met veel werknemers daarboven juist baat hebben bij het lagere plafond. Via de loonruimte kan dit ook doorwerken op de betrokken werknemers. In cao-onderhandelingen wordt doorgaans echter niet gestuurd op basis van de individuele wig per werknemer.
De vrijheidsbijdrage van bedrijven bedraagt een verhoging van 0,43 procentpunt van de Aof-premie op basis van de taakstellende invulling in het coalitieakkoord. De vrijheidsbijdrage van bedrijven brengt, anders dan de compensatie voor de Zvw en het maximumpremieloon, daadwerkelijk aanvullende middelen op. Dat vergroot de wig en heeft daarmee effect op de loonruimte.
De vrijheidsbijdrage van bedrijven van 1,7 miljard kan gedeeld worden door de circa 10 miljoen werkenden. Dit komt gemiddeld neer op 170 euro per werknemer per jaar aan hogere werkgeverslasten. Het CPB gaat er op lange termijn vanuit dat circa 75% van deze lasten wordt doorberekend in de loonruimte. Op korte termijn zal het effect kleiner zijn.

