Minister Heinen van Financiën stuurt de Voorjaarsrapportage van de Raad van State. De rapportage bevat ook de reactie van het kabinet.
De Voorjaarsnota vormt sinds een aantal jaar het belangrijkste besluitvormingsmoment over de meerjarenbegroting, in opmaat naar de Miljoenennota. Deze Voorjaarsnota is de eerste van het kabinet-Jetten en bevat primair de vertaling van het coalitieakkoord van D66, VVD en CDA “Aan de slag”.
De Raad van State constateert dat het kabinet-Jetten in de Voorjaarsnota de al langer bestaande uitdagingen en de (actuele) geopolitieke onzekerheden onderkent. Het kabinet beoogt met soms scherpe beleidskeuzes de uitdagingen te beantwoorden, meer te investeren en vergrijzingskosten te beheersen, en tegelijkertijd een houdbaar begrotingsbeleid te continueren.
Adviezen Raad van State
De Raad van State geeft de volgende adviezen:
- Handhaaf een trendmatig begrotingsbeleid gebaseerd op beheersing van uitgaven en lasten, neem de vernieuwde Europese begrotingsregels als uitgangspunt van de begrotingsbesluitvorming.
Houd voldoende budgettaire ruimte voor als de komende jaren de economie tegenvalt zodat niet gelijk tussentijds hoeft te worden bezuinigd; voorkom ongewilde belastingverhoging in de toekomst of doorschuiven van de rekening naar toekomstige generaties. - Houd scherp oog voor uitvoering en uitvoerbaarheid.
- Wees bij het uitgavenkader preciezer met efficiencykortingen en voorkom besteding van onderuitputting aan andere beleidsdoelen.
- Let op een evenwichtige verdeling van de lasten en blijf alert op ondoelmatige fiscale regelingen.
Oorlog Midden-Oosten en inflatie
De oorlog in het Midden-Oosten heeft naar verwachting aanzienlijke gevolgen voor de wereldwijde en Nederlandse economie, al is het verloop van de oorlog, en daarmee het effect op de economie lastig te voorspellen.
Deze hogere inflatie leidt in eerste instantie tot een lagere koopkracht van huishoudens – een effect dat, zolang de olie- en gasprijzen hoog blijven, breed voelbaar is en maar deels direct automatisch wordt gecompenseerd door meestijgende lonen.
Bedrijven worden ook geconfronteerd met hogere energieprijzen en dus productiekosten. Dit leidt deels tot hogere prijzen van andere goederen en diensten – en kan leiden tot extra inflatie – en deels tot lagere bedrijfswinsten.
De lagere koopkracht en hogere kosten kunnen een drukkend effect op de economische groei hebben. Naast deze directe effecten kan de hogere inflatie leiden tot reacties van centrale banken, beleidsmakers en looneisen van werknemers.
Lasten op (vroegere) arbeid
De plannen van de coalitie leiden tot een cumulatieve lastenverzwaring van € 5,8 mld. in 2030, waarvan het merendeel neerslaat bij de lasten op (vroegere) arbeid. Dit komt vooral doordat de hogere defensie-uitgaven grotendeels worden gefinancierd door het niet volledig toepassen van de inflatiecorrectie (de tabelcorrectiefactor) in de inkomstenbelasting. Hierdoor stijgen onder meer de grenzen van de belastingschijven niet volledig mee met de inflatie.
Daarnaast worden ter compensatie van de lagere zorgpremies door het hogere eigen risico alleen inkomstenbelastingtarieven in de eerste en tweede schijven van box 1 verhoogd, de box die vooral uit werknemers, gepensioneerden en zelfstandigen bestaat.
Hogere lasten op arbeid
De Voorjaarsnota 2026 leidt dus tot een verzwaring van de lasten met € 5,8 mld. in 2030, waarbij het grootste deel voor rekening komt van de lasten op (vroegere) arbeid.
De gedeeltelijke financiering van defensie-uitgaven via werkgevers (overheid en bedrijfsleven) geheven hogere Aof-premies kan ook leiden tot hogere lasten op arbeid, aldus de Raad.
Lagere nettolonen
Afhankelijk van de onderhandelingsverhoudingen tussen werkgever en werknemers kunnen de hogere arbeidskosten uiteindelijk deels neerslaan in lagere nettolonen voor werknemers. De Raad wijst erop dat deze maatregelen het verschil tussen de lastendruk op de factor arbeid (loon) ten opzichte van die op de factor kapitaal (vermogen) vergroten.
Relatieve verzwaring van de lastendruk op arbeid kan zorgen voor verstoringen van het economisch systeem en het maatschappelijke draagvlak voor belastingen verminderen.
Negatieve effecten
Het Bouwstenenrapport noemt de steeds hogere belastingdruk op arbeid ten opzichte van de lagere belasting op vermogen één van de uitdagingen voor de verbetering van het belastingsysteem en wijst op de negatieve effecten van hoge lasten op arbeid.
Hervormingsagenda inkomstenbelasting
Het kabinet kiest voor een stapsgewijze verandering van het stelsel van toeslagen en inkomstenbelasting, waarbij de focus vooral ligt op vereenvoudiging. Voor het najaar van 2026 is een hervormingsagenda van het stelsel van de Inkomstenbelasting afgekondigd.
Het is niet duidelijk of deze hervormingsagenda ook betrekking heeft op de samenhang tussen de belastingheffing op de factor arbeid en kapitaal en daarmee ook op aanverwante belastingwetten, zoals de verhouding met en tussen box 2 en box 3, het lage tarief in de vennootschapsbelasting, de eigen woning en de bedrijfsopvolgingsregelingen.
De Raad adviseert bij de aangekondigde hervormingsagenda inkomstenbelasting expliciet te maken of, en zo ja hoe, de samenhang met de belastingheffing op vermogen en vennootschapsbelasting wordt gestuurd. De huidige formulering van het coalitieakkoord laat dit open.
Reactie kabinet
Het kabinet komt vóór het einde van 2026 met een hervormingsagenda met concrete mijlpalen in de tijd op verschillende onderdelen, beginnende met de herziening van het stelsel van de inkomstenbelasting en stappen in het stelsel van toeslagen, overige inkomensregelingen en sociale zekerheid.
Bij de verschillende boxen van de inkomstenbelasting, geldt dat sprake is van samenhang tussen de belasting op arbeid en de belasting op vermogen en winst. Op dit moment wordt de hervormingsagenda nog uitgewerkt. Daar waar van toepassing, wordt de samenhang van belastingheffing tussen de verschillende boxen in deze agenda bekeken.
De Raad adviseert om te blijven streven naar het uitfaseren van ondoelmatige fiscale regelingen en hiervoor een concreet plan van aanpak te ontwikkelen. Het kabinet onderschrijft dit streven, en heeft daarom gezorgd voor goede verankering van de omgang met ondoelmatig fiscale regelingen in de begrotingsregels.
Als een fiscale regeling negatief wordt geëvalueerd, is het uitgangspunt om deze regeling te af te schaffen of aan te passen. Hierbij weegt het kabinet altijd het effect op de bedrijven of inkomensgroepen die gebruik maken van de regeling mee, en de economische context.

