Minister Vijlbrief van SZW beantwoordt Kamervragen over de wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor het jaar 2026 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota). Hierna vind je een aantal vragen en antwoorden ten aanzien van het Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof) en de Aof-premie en de verlaging van het maximumdagloon.
Aof-premie
UWV heeft in de januarinota 2026 aangegeven dat het vermogen van het Arbeidsongeschiktheidsfonds eind 2025 bijna € 39,3 miljard bedraagt.
De premietarieven van het Arbeidsongeschiktheidsfonds stijgen door verschillende maatregelen uit het coalitieakkoord, waaronder de vrijheidsbijdrage voor bedrijven en het verlagen van het maximumdagloon en maximumpremieloon. Over de invulling van de vrijheidsbijdrage voor bedrijven vindt overleg plaats met ondernemersorganisaties.
Overschotten
Overschotten van de Aof-premie kunnen niet letterlijk worden ingezet voor tekorten elders op de rijkbegroting. Uit de sociale fondsen mogen alleen uitgaven worden gedaan aan de betreffende uitkeringsregelingen. Daarom worden de overschotten ook zichtbaar als een toenemend fondsvermogen. Wel zijn de sociale fondsen onderdeel van de overheid, en hun overschot is dus onderdeel van het EMU-saldo van de gehele collectieve sector.
Een groter overschot van de sociale fondsen maakt het dus mogelijk dat andere onderdelen van de overheid een groter begrotingstekort hebben.
Gevolgen extra Aof-premie voor loonontwikkeling?
Welke gevolgen zal het heffen van extra Aof-premie volgens de regering hebben op de loonontwikkeling?
Hogere werkgeverslasten zorgen op termijn voor een lagere loonontwikkeling. De loonontwikkeling hangt echter ook af van andere factoren. Het CPB raamt in de analyse van het coalitieakkoord een 0,1 procentpunt lagere cao-loonstijging voor de jaren 2027-2030 (3,2 procent in de doorrekening van het coalitieakkoord tegenover 3,3 procent in het basispad).
Contractloonontwikkeling
In het Centraal Economisch Plan (CEP) verwacht het Centraal Planbureau (CPB) dat de contractloonontwikkeling in 2026 uitkomt op 4,0% en inflatie op 2,3%, dat is nog exclusief de ontwikkelingen in het Midden-Oosten. De gevolgen van de situatie in het Midden-Oosten op de energieprijzen en inflatie zijn uiterst onzeker.
In een recenter onderzoek naar de mogelijke impact op de inflatie verwacht het CPB dat op basis van de huidige marktverwachtingen de inflatie in 2026 uitkomt op 3,8%. Als de energieprijzen nog verder doorstijgen en de prijzen langer op een hoog niveau blijven, dan kan de inflatie oplopen tot 5,3%.
Maximumdagloon verlagen
Welke gevolgen zal het verlagen van het maximumdagloon volgens de regering hebben op de hoogte van geheven premies?
Een verlaging van het maximumpremieloon met 20% zorgt voor ongeveer € 2,6 miljard minder premie-inkomsten (in prijzen 2026) voor de arbeidsongeschiktheid, werkloosheid en de opslag kinderopvang tezamen.
Om die premie-inkomsten op hetzelfde niveau te houden zoals in het coalitieakkoord is opgenomen, worden de betreffende premietarieven gezamenlijk met ongeveer 0,78 procentpunt omhoog bijgesteld.
Meer inkomstenderving
Kunt u nader toelichten wat het bedrag aan vermindering van 676 duizend euro aan premieopbrengsten betekent. Hoe verhoudt dit zich tot een derving van 2,6 miljard euro bij de verlaging van het maximale premieloon?
De vermindering van € 676 miljoen betreft de lagere uitgaven aan de verschillende uitkeringsregelingen als gevolg van de verlaging van het maximumdagloon. De verlaging van het maximumpremieloon leidt tot een veel groter bedrag aan gederfde premie-inkomsten. Dat komt doordat de hoogte van uitkeringen maar een deel is van het maximumdagloon, vaak 70 procent of lager als bijvoorbeeld sprake is van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke werkloosheid. Daarnaast zijn de premie-inkomsten zelf hoger dan de uitgaven aan de werknemersverzekeringen.
Een daling van de grondslag met 20 procent zorgt dus voor meer inkomstenderving dan uitgavenderving.
In de raming is meegenomen dat mensen met een loon op of boven het maximumdagloon relatief ondervertegenwoordigd zijn in de uitkeringsontvangers.

