Minister Aartsen van Werk en Participatie stuurt de Eerste Kamer de nota naar aanleiding van het verslag inzake Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het invoeren van een rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief.
Met dit wetsvoorstel krijgen werkenden die onder een uurtarief van 38 euro worden betaald – en die recht menen te hebben op een arbeidsovereenkomst – een sterkere rechtspositie.
De regering verwacht met name een preventief effect van dit wetsvoorstel. Namelijk dat, als een werkgevende een werkende inhuurt voor een klus tegen een tarief onder het geldende uurtarief, er vooraf beter wordt beoordeeld of een zelfstandige kan worden ingehuurd of dat sprake is van een arbeidsovereenkomst.
Er is geen aanleiding voor opdrachtgevers om minder gebruik te maken van zzp’ers als de opdracht zich ervoor leent om door een zzp’er gedaan te worden.
Wettelijk kader wijzigt niet
Het rechtsvermoeden voegt geen nieuwe verplichting toe voor werkgevers/ondernemers. Ook nu al
moeten zij goed beoordelen of in een specifieke arbeidsrelatie conform huidige wet- en regelgeving wordt gewerkt, en dus sprake is van een overeenkomst van opdracht of een arbeidsovereenkomst. Het wetsvoorstel geeft kwetsbare werkenden uitsluitend een extra procesrechtelijk instrument, waarmee het eenvoudiger wordt om een arbeidsovereenkomst op te eisen, als zij daar recht op hebben.
Het wetsvoorstel verplicht werkgevers niet arbeidsrelaties intensiever te documenteren en te monitoren. Een werkgevende moet namelijk ook nu al vooraf beoordelen of sprake is van een arbeidsovereenkomst, dan wel dat een zelfstandige ingehuurd kan worden. Dat wettelijk kader verandert niet. De regering voorziet dan ook niet dat werkgevers onvoldoende capaciteit en slagkracht hebben als gevolg van wetsvoorstel.
Uit de mkb-toets kwam niet naar voren dat mkb’ers vreesden dat zij onvoldoende capaciteit hebben om met het rechtsvermoeden om te gaan. Ook de werkgeversorganisaties VNO-NCW, MKB Nederland, AWVN en LTO Nederland hebben aangegeven het rechtsvermoeden te steunen.
Rechtsvermoeden ontwijken
De regering erkent dat er mogelijkheden zijn om het rechtsvermoeden te ontwijken. Het uurtarief
is een relatief eenvoudig criterium, waarmee de werkende zich kan beroepen op het rechtsvermoeden. Het rechtsvermoeden versterkt daarmee de (procesrechtelijke) positie van de werkende. De regering wijst er echter op dat de toets of sprake is van een arbeidsovereenkomst gebaseerd blijft op arbeid, loon en werken in dienst van (conform artikel 7:610 BW). Het ontwijken van het rechtsvermoeden door een iets hoger uurtarief te betalen verandert daarom niet de beoordeling van de arbeidsrelatie.
Samen goed regelen
Belangrijk is dat werkgevenden en werkenden de kwalificatie van de arbeidsrelatie samen goed regelen. Door vooraf goed te beoordelen of een zelfstandige kan worden ingehuurd of dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. En te zorgen dat er in de praktijk ook daadwerkelijk zo wordt gewerkt.
Met dit wetsvoorstel wordt een rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst geïntroduceerd als een uurtarief lager dan de tariefnorm wordt betaald. In dat geval maakt dit wetsvoorstel het voor de werkende eenvoudiger een arbeidsovereenkomst op te eisen.
Flexibiliteit
Ook binnen de arbeidsovereenkomst zijn er mogelijkheden om flexibiliteit vorm te geven. Een arbeidsovereenkomst hoeft niet alleen in de vorm van een (fulltime) arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Het is belangrijk dat branches en sectoren inzetten op het vormgeven van een flexibele schil die aansluit bij de arbeidsrechtelijke mogelijkheden en wensen van mensen. Zo kunnen werkgevers mensen tijdelijk in dienst nemen, of via een uitzendbureau mensen tijdelijk inhuren.
Sommige werkgevers willen flexibiliteit in de dagen en uren waarop zij hun personeel inzetten en sommige werknemers waarderen deze flexibiliteit ook. Dat is ook goed mogelijk in loondienst. Zo kan bijvoorbeeld een jaarurennorm worden afgesproken, waarbij werknemers een vast aantal uur per jaar werken, maar flexibel kunnen worden ingeroosterd.
Daarnaast is zelfroostering mogelijk, waarbij het team zelf het rooster opstelt binnen de doelstelling van de organisatie. Ook kunnen werknemers wendbaar worden ingezet, via oproepbasis of in de toekomst via een bandbreedtecontract. Ook kan ook met flexpools worden gewerkt, waarbij het personeel flexibel inzetbaar is en op verschillende plekken werkt.
Onmiddellijke werking
De onmiddellijke werking van het rechtsvermoeden houdt in dat de regels van toepassing zijn op elke arbeidsrelatie die op de dag van inwerkingtreding bestaat en op arbeidsrelaties die op of na die datum ingaan. Dit kan inderdaad betekenen dat het rechtsvermoeden kan worden ingeroepen voor een arbeidsrelatie die is ingegaan voor inwerkingtreding van dit wetsvoorstel en doorloopt op of na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel. De feitelijke beoordeling of sprake is van een arbeidsovereenkomst wordt echter niet gewijzigd met dit wetsvoorstel.
Het rechtsvermoeden is bedoeld voor diegenen die werken aan de basis van de arbeidsmarkt. Voor dit onderdeel geldt dan ook dat de onmiddellijke werking ervoor zorgt dat ook werkenden die op het moment van inwerkingtreding van het rechtsvermoeden een arbeidsrelatie hebben, de bescherming kunnen genieten die het rechtsvermoeden biedt.
Uurtarief eenvoudig aantoonbaar
De introductie van het rechtsvermoeden geeft werkenden een eenvoudig instrument (naast de
bestaande instrumenten) om een arbeidsovereenkomst te claimen. In het algemeen is het uurtarief
relatief eenvoudig aan te tonen.
Preventieve werking
De regering verwacht met name een preventieve werking van het rechtsvermoeden.
Het rechtsvermoeden zal er, zo verwacht de regering, toe leiden dat werkgevenden bij het aangaan van een arbeidsrelatie beter zullen toetsen hoe deze arbeidsrelatie vormgegeven wordt. Daarnaast verwacht de regering een preventief effect van het rechtsvermoeden doordat de werkende – zonder dat deze een gerechtelijke procedure hoeft te starten – een beroep doet op het rechtsvermoeden tegenover zijn werkgevende. Deze kan vervolgens de (proces)risico’s inschatten en daarop anticiperen door een arbeidsovereenkomst aan te bieden.
Het uitgangspunt bij de beoordeling van de arbeidsrelaties blijft dat werkende en werkgevende
verantwoordelijk zijn voor de juiste kwalificatie van de arbeidsrelatie.
Vakbonden
Een mogelijkheid is dat vakbonden een beroep op het rechtsvermoeden instellen namens de werkende. Het is onderdeel van de taken van de vakbond om de individuele en gezamenlijke belangen van werkenden te vertegenwoordigen. Dit geldt ook in geval een beroep op het rechtsvermoeden kan worden gedaan.
Regelrechter
Daarnaast is met ingang van 1 maart 2025 bij vier rechtbanken in Nederland gestart met laagdrempelige geschilbeslechting (ook wel bekend als de regelrechter). Daarmee staat een versimpelde procedure open voor werknemers met een vordering uit hoofde van de arbeidsovereenkomst en geldvorderingen van een natuurlijk persoon tot een maximum van € 5.000.
Verschil tussen bestaande en nieuwe rechtsvermoeden
Een belangrijk verschil tussen het bestaande rechtsvermoeden uit artikel 7:610a BW en het voorgestelde rechtsvermoeden op basis van een uurtarief is dat het uurtarief vaak bij aanvang van de werkzaamheden bekend is, zodat de arbeidsrelatie niet al aangevangen moet zijn (en minimaal 3 maanden moet hebben geduurd) alvorens duidelijk is of op het rechtsvermoeden een beroep gedaan kan worden.
Inwerkingtreding
De Tweede Kamer heeft het wetsvoorstel op 21 april 2026 aangenomen.
Als de Eerste Kamer voor het zomerreces instemt met dit wetsvoorstel en de inwerkingtreding op 31 december 2026 is gesteld, is sprake van een gewenningsperiode van circa 6 maanden. Dit acht de regering voldoende.
Aanvullende kosten
Als de werkgevende geen arbeidsovereenkomst aangaat en de werkende stapt naar de rechter, treden voor de werkgevende aanvullende kosten op. In dat geval moet de werkgevende (in plaats van de werkende) namelijk aantonen dat geen arbeidsovereenkomst aanwezig is (op basis van geldend recht, arbeid, loon en werken in dienst van, conform artikel 7:610 BW).
Hierbij is sprake van een verschuiving van regeldrukkosten van de werkende naar de werkgevende.
Voor de werkenden treedt een besparing op van € 6,8 miljoen. Voor werkgevenden treedt een
verzwaring op van € 15,8 miljoen. Dit betreft een maximale schatting, namelijk als elk beroep op
het rechtsvermoeden leidt tot een rechtsgang. Als de werkgevende en de werkende alsnog tot overeenstemming komen, door bijvoorbeeld een arbeidsovereenkomst aan te gaan, treden deze extra kosten niet op.
Wet invoering rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van uurtarief

