Rechtsvermoeden art. 7:610a BW aangenomen. De kwalificatie van de overeenkomst met de tennisscheidsrechter is een vrijwilligersovereenkomst, geen arbeidsovereenkomst. De scheidsrechter was niet in dienst van Tennisbond. Dat oordeelt het hof.
De man is al geruime tijd actief als scheidsrechter bij (professionele) tenniswedstrijden. Tussen de man en de KNLTB is een geschil ontstaan over de vraag of tussen hen een vrijwilligersovereenkomst of arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen.
De man meent dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst, die de KNLTB niet rechtsgeldig heeft opgezegd. Hij heeft verzocht om de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen en de arbeidsovereenkomst te herstellen. De KNLTB heeft weersproken dat overeenkomst als arbeidsovereenkomst moet worden gekwalificeerd. Het hof oordeelt dat de overeenkomst kwalificeert als een vrijwilligersovereenkomst en geen arbeidsovereenkomst.
Geen verplichting tot werken
In het licht van alle feiten en omstandigheden overweegt het hof dat de overeenkomst niet kwalificeert als een arbeidsovereenkomst. In de kern onderscheidt een vrijwilligersovereenkomst zich ten opzichte van een arbeidsovereenkomst in het feit dat de vrijwilliger niet verplicht kan worden tot het verrichten van de arbeid. Dat is ook hier het geval.
Het hof acht van doorslaggevend belang dat op de man geen verplichting rustte om zich beschikbaar te stellen. De KNLTB kon niet afdwingen dat de man als scheidsrechter op toernooien zou optreden. Dit past niet bij een oproep/arbeidsovereenkomst.
Geen gezagsverhouding
Ook uit het afmeldbeleid van de KNLTB blijkt een grote vrijheid voor de betrokken scheidsrechters. De man kon zonder gevolgen zijn beschikbaarheid wijzigen of intrekken. Dat de man instructies ontving die voortvloeien uit de reglementen en gedragscode, maakt niet dat sprake is van een gezagsverhouding en de man dus in dienst van de KNLTB was.
Werk volledig zelfstandig verrichten
De man kon de werkzaamheden op de betreffende toernooien volledig zelfstandig verrichten. Het ontvangen van algemene instructies is in dit geval duidelijk gekoppeld aan het behoud van de kwaliteit van de arbitrage in het algemeen. Ook het op peil houden van vakkennis en het faciliteren van het volgen van opleidingen past binnen het kader van de vrijwilligersovereenkomst. Het behouden van de kennis is inherent aan het optreden als scheidsrechter.
Het feit dat de KNLTB scheidsrechters bij internationale toernooien voordraagt, laat een nauwe samenwerking met de toernooiorganisaties zien. De beslissingsbevoegdheid voor de inzet van de scheidsrechters ligt echter bij de toernooiorganisaties die ook de beloningen betalen en niet bij de KNTLB. Deze omstandigheden zijn daarom niet van doorslaggevende betekenis bij de beantwoording van de vraag of de overeenkomst als arbeidsovereenkomst moet worden gekwalificeerd.
Beperkte beloning
Het hof acht verder van belang dat de man slechts een beperkte beloning van de KNLTB voor zijn werkzaamheden als scheidsrechter (op hoog niveau) ontving. De omstandigheden dat het werk van scheidsrechter is ingebed in de organisatie en dat vast is komen te staan dat op de man de verplichting rustte om de arbeid waarvoor hij op eigen opgave was ingeroosterd ook persoonlijk te verrichten wegen niet op tegen de belangrijkste overeengekomen afspraak, namelijk: dat het aan de man was om zich wel, niet of (ondanks inroostering) niet meer als scheidsrechter beschikbaar te stellen.
Verder overweegt het hof dat de man heeft nagelaten toe te lichten hoe de overeenkomst in 2010 tot stand is gekomen. Het hof sluit daarom aan bij de stelling van de KNTLB dat de afspraken die zijn gemaakt zijn vastgelegd in de Vrijwilligersovereenkomst arbitrage.
Vrijwilligersovereenkomst
Het hof concludeert dat de KNTLB het aangenomen rechtsvermoeden van het bestaan van een arbeidsovereenkomst voldoende heeft weerlegd. De man heeft daartegenover onvoldoende gesteld om een arbeidsovereenkomst aan te nemen. Het hof oordeelt dat tussen partijen een vrijwilligersovereenkomst bestond.
Uitspraak Hof Amsterdam, 12 mei 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:1246

