In het verstekvonnis van 28 mei 2025 is de werkgever veroordeeld tot betaling van onder meer € 10.950,95 bruto voor ingehouden minuren, achterstallig loon, onregelmatigheidstoeslag, eenmalige uitkering, eindejaarsuitkering en vakantiegeld. De werkgever is in verzet gegaan tegen dat vonnis.
Volgens de werkgever was hij bevoegd om het loon voor minuren met de eindafrekening te verrekenen en heeft de werknemer geen recht op onregelmatigheidstoeslag. De kantonrechter oordeelt dat het verzet tijdig is ingediend. De kantonrechter vernietigt het verstekvonnis en beslist opnieuw.
De werkgever heeft de minuren ten onrechte verrekend en moet de werknemer nog € 6.281,65 bruto betalen.
Waar gaat deze zaak over?
De werknemer werkte tot 1 januari 2021 voor de werkgever op basis van aansluitende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Tot en met 28 februari 2019 werkte de werknemer voor gemiddeld 16 uur per week, vanaf 1 maart 2019 voor gemiddeld 24 uur per week. Het laatstelijk verdiende salaris was € 1.665,26 bruto per maand. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Gehandicaptenzorg van toepassing.
Eindafrekening
Omdat de arbeidsovereenkomst na 31 december 2020 niet is voortgezet, heeft de werkgever de werknemer in december 2020 een eindafrekening toegestuurd. Uit de loonstrook van december 2020 blijkt dat de werkgever met de eindafrekening de in 2019 en 2020 teveel opgenomen vakantie-uren heeft verrekend. De werknemer is het daarmee niet eens. Partijen hebben daarna een tijd gecorrespondeerd over het verrekenen en het aantal minuren, maar dit heeft voor de werknemer niet tot een oplossing geleid.
Teveel opgenomen vakantie-uren ingehouden
De werkgever heeft op de eindafrekening van december 2020 in totaal € 4.006,42 bruto voor teveel opgenomen vakantie-uren (in 2019: 42,84 uur en in 2020: 247,32 uur) ingehouden. De werknemer erkent dat zij in deze jaren minder uren heeft gewerkt dan zij volgens haar arbeidsovereenkomst had moeten werken.
‘Minuren niet voor rekening werknemer’
Op grond van de cao worden bij het einde van de arbeidsovereenkomst te weinig gewerkte uren ingehouden op het laatste salaris. De werknemer stelt dat de werkgever geen minuren op de eindafrekening had mogen verrekenen omdat deze niet voor haar rekening moeten komen. De werknemer heeft steeds volgens het rooster gewerkt dat door de werkgever werd vastgesteld en zij is niet in de gelegenheid gesteld minuren in te halen.
Recht op loon voor niet-gewerkte uren?
De beoordeling of de werknemer recht heeft op loon voor uren die zij niet heeft gewerkt, moet plaatsvinden aan de hand van artikel 7:628 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW).
Uit de cao volgt dat de arbeidsduur bij een voltijd dienstverband 1.878 uur per jaar bedraagt en dat het aantal te werken uren op jaarbasis (netto) wordt bepaald door de overeengekomen arbeidsduur (bruto) te verminderen met vakantie-uren, betaald verlof en feest- en gedenkdaguren. Het netto te werken aantal uren, vermeerderd met vakantie-uren, wordt vastgelegd in het arbeids- en rusttijdenpatroon. Deze uren worden ingeroosterd op overeengekomen dagen.
De werkgever moet de werknemer in de gelegenheid te stellen het aantal in het kader van de jaarurensystematiek vastgestelde uren te werken. Als de werknemer niet door de werkgever in de gelegenheid is gesteld het aantal vastgestelde uren te werken, mag dit tekort aan uren niet als vakantie worden aangemerkt.
Onvoldoende in gelegenheid gesteld
De kantonrechter oordeelt dat de werkgever de werknemer onvoldoende in de gelegenheid heeft gesteld haar arbeidsduur te werken.
Het bieden van de mogelijkheid om op open diensten in te schrijven is onvoldoende om te concluderen dat de werkgever de werknemer in de gelegenheid heeft gesteld de te weinig ingeroosterde uren te werken. De werkgever had daarvoor tenminste de werknemer er regelmatig op moeten wijzen dat zij minuren had en dat van haar verwacht werd dat zij op open diensten zou inschrijven om voldoende uren te kunnen maken, aldus de kantonrechter. Dat dit is gebeurd heeft de werknemer betwist en is door de werkgever niet onderbouwd.
De kantonrechter is van oordeel dat uit de verzoeken aan de werknemer om extra diensten te werken, die kort van te voren zijn gedaan, niet blijkt dat de werknemer voldoende gelegenheid heeft gekregen haar volledige arbeidsduur te werken. De werkgever wist dat de werknemer jonge kinderen heeft waardoor zij minder flexibel is om op het laatste moment extra te werken omdat zij een oppas voor haar kinderen moet kunnen vinden. Het was van de werknemer daarom niet onredelijk om deze extra diensten te weigeren.
Minuren verrekenen mag niet
Omdat niet is komen vast te staan dat de werkgever de werknemer voldoende in de gelegenheid heeft gesteld de te weinig gewerkte uren tijdens haar dienstverband te werken, is het niet redelijk de minuren bij het einde van het dienstverband voor rekening van de werknemer te laten komen en het loon voor de minuren met de eindafrekening te verrekenen.
De kantonrechter verklaart dat de werkgever op de eindafrekening ten onrechte € 4.006,42 bruto voor minuren heeft ingehouden.
Onregelmatigheidstoeslag
De werknemer vordert de uitbetaling van de onregelmatigheidstoeslag (ORT) over de periode dat zij bij de werkgever werkte. De kantonrechter oordeelt dat de werknemer nog recht heeft op betaling van € 2.509,72 bruto aan ORT. Het staat voldoende vast dat de door de werknemer gewerkte onregelmatige diensten leiden tot een ORT van € 2.509,72 bruto.
Nog meer betalen
De werkgever voert geen verweer tegen de gevorderde betaling van de eenmalige uitkering (€ 258,48 bruto), eindejaarsuitkering (€ 1.261,37 bruto), het vakantiegeld (€ 816,08 bruto) en het loon over december 2020 (€ 1.436,00 bruto). De kantonrechter wijst deze vorderingen daarom toe.
Wettelijke verhoging en rente
De wettelijke verhoging is verschuldigd omdat sprake is van te late betaling van loon. De werknemer vordert de maximale wettelijke verhoging van 50%. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen.
De werkgever is de wettelijke rente verschuldigd over het achterstallige loon vanaf het moment dat dat opeisbaar is geworden. De gevorderde loonbetalingen zijn opeisbaar vanaf 1 januari 2021.
Uitspraak Rechtbank Midden-Nederland, 24 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:7074
Hierna ook een andere uitspraak uit oktober 2024 waarbij de werkgever minuren moet betalen.

