Ontslag in/na proeftijd, in strijd met verbod op willekeur of goed werkgeverschap, aldus de werknemer. Na bewijslevering wordt aangesloten bij de standpunten van de werkgever. Een bedrag van 2,29 euro bruto aan transitievergoeding is nog toewijsbaar.
Verzoeken werknemer
De werknemer heeft bij de kantonrechter verschillende verzoeken ingediend.
De werknemer gaat er bij zijn primaire verzoek vanuit dat geen sprake is van een rechtsgeldig proeftijdontslag, dan wel dat sprake is van een ontslag in strijd met verbod op onderscheid. Hij verzoekt om vernietiging van het ontslag en doorbetaling van loon en emolumenten vanaf 10 september 2024.
Daarnaast verzoekt de werknemer, voor het geval hij zou berusten in het ontslag, om de werkgever te veroordelen tot betaling van achterstallig loon over de periode van 10 september 2024 tot 12 november 2024 en betaling van een transitievergoeding en gefixeerde schadevergoeding en een billijke vergoeding.
Het meer subsidiaire verzoek betreft de stelling dat de werkgever heeft gehandeld in strijd met de eisen van goed werkgeverschap. De werkgever heeft zich, aldus de werknemer, geen enkel oordeel kunnen vormen over de arbeidsgeschiktheid van de werknemer nadat deze na 4 uur heeft gewerkt uitviel vanwege een bedrijfsongeval en heeft voor ontslag een voorgewende reden gebruikt door te stellen dat hij zonder bericht het werk heeft verlaten.
De werknemer verzoekt in dit verband te verklaren voor recht dat de werkgever heeft gehandeld in strijd met de eisen van goed werkgeverschap en tot betaling achterstallig loon over de periode van 10 september 2024 tot 12 november 2024, een transitievergoeding en gefixeerde schadevergoeding.
Als de opzegging toch rechtsgeldig is verleend, verzoekt de werknemer om achterstallig loon over de op 10 september 2024 nog resterende vier uren en betaling van een transitievergoeding ad € 4,80 bruto, te vermeerderen met wettelijke rente.
Opzeggen tijdens proeftijd
Uitgangspunt bij de beoordeling van een opzegging tijdens de proeftijd, is dat partijen in de proeftijd bevoegd zijn de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen. Het bewijs voor de ontvangst van de opzeggingsbrief per e-mailbericht van 11 september 2024 is geleverd. De kantonrechter concludeert dat de werkgever de arbeidsovereenkomst tijdig, binnen de proeftijd heeft opgezegd.
Geen verbod op onderscheid
Het bewijs van de ziekmelding van de werknemer is niet geleverd. Van bekendheid van de werkgever met het door de werknemer gestelde ongeval/ziekte kan ook niet worden uitgegaan. Dit betekent dat onvoldoende grond bestaat ervan uit te gaan dat het ontslag is verbonden/samenhangt met de door de werknemer gestelde ziekte.
Van strijd met het bepaalde in artikel 4 juncto artikel 1 van de Wet gelijke behandeling handicap of chronische ziekte, waarop de werknemer doelt met zijn verzoek om de opzegging te vernietigen wegens strijd met het verbod op onderscheid, is dus geen sprake.
De werknemer heeft niet laten weten in het ontslag te berusten, reden waarom deze verzoeken niet voor toewijzing in aanmerking komen. De kantonrechter voegt hieraan toe dat overigens onweersproken door de werkgever is vermeld dat de werknemer een afrekening en bijbehorende betaling heeft ontvangen met betrekking tot het loon over de vier op 10 september 2024 gewerkte uren.
Geen aanleiding tot onderzoek
Niet kan worden aangenomen dat de huisarts van de werknemer of de ex-partner van de werknemer zelf hebben waargenomen of op andere wijze hebben vastgesteld dat de oorzaak van de rugklachten gelegen is in een bij de werkgever plaatsgevonden bedrijfsongeval.
Nu er ook niet kan worden uitgegaan dat de werknemer zich op 10 september 2024 ziek heeft gemeld en dat de werkgever toen bekend was met enige ziekte van de werknemer, leidt dit ertoe dat er voor de werkgever geen aanleiding was tot onderzoek naar de geschiktheid van de werknemer om zijn werk te kunnen verrichten. Van een voorgewende reden is ook geen sprake.
Verzoek om achterstallig loon afgewezen
Het meest subsidiaire verzoek is ingediend voor het geval het ontslag, de opzegging rechtsgeldig zou zijn verleend. Daarvan is sprake. De werknemer verzoekt in dit verband om achterstallig loon over de op 10 september 2024 nog resterende vier uren, te vermeerderen met wettelijke verhoging en wettelijke rente, zowel als tot betaling van een transitievergoeding ad € 4,80 bruto, te vermeerderen met wettelijke rente.
Waar het verzoek ervan uitgaat dat de werknemer zich ziek heeft gemeld bij de werkgever en het bewijs daarvoor niet is geleverd, betekent dit dat de werknemer ongeoorloofd van het werk is weggebleven. Dit komt niet voor rekening van de werkgever. De werknemer heeft ingevolge artikel 7:628 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek geen recht op betaling van loon en dus ook geen recht op een transitievergoeding naar rato van 8 uur.
Aanspraak bestaat wel op transitievergoeding, berekend naar rato van 4 uur op 10 september verrichte en betaalde arbeid, waarmee bedrag is gemoeid van € 2,29 bruto. Dit houdt in dat de verzoeken van de werknemer worden afgewezen, behalve waar het betreft het verzoek om transitievergoeding.
Beslissing kantonrechter
De kantonrechter veroordeelt:
- de werkgever tot betaling van het netto equivalent van een bedrag van € 2,29 bruto aan transitievergoeding;
- de werknemer in de proceskosten van € 1.221.
Uitspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 13 augustus 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:6775

