De werkgever heeft geen deugdelijke grond voor het achterwege laten van re-integratieactiviteiten. De loonsanctie is volgens de rechtbank terecht opgelegd.
Niet genoeg re-integratie-inspanningen?
De rechtbank beoordeelt het beroep van de werkgever tegen de beslissing van het UWV dat hij het loon van zijn werknemer langer moet doorbetalen, omdat de werkgever niet genoeg re-integratie-inspanningen heeft verricht (loonsanctie).
Partijen zijn het erover eens dat de werknemer (een pakketbezorger) niet belastbaar was voor re-integratieactiviteiten. Waar partijen wel over van mening verschillen, is of de werkgever in de periode van 28 april 2022 tot het actueel oordeel van 29 augustus 2022 voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.
Uit de kritische Functionele Mogelijkhedenlijst (kFML) blijkt dat de werknemer over duurzame benutbare mogelijkheden beschikt, beperkingen heeft in de rubrieken ‘persoonlijk functioneren’, ‘sociaal functioneren’ en ‘aanpassing aan fysieke omgevingseisen’, en gemiddeld ongeveer 4 uur per dag, 20 uur per week en niet ’s nachts kan werken.
Vorm van re-integratie mogelijk
De verzekeringsarts Bezwaar & Beroep schrijft hierover in zijn rapport van 7 september 2023 dat dit geen dusdanige beperkingen zijn dat geen enkele vorm van re-integratie mogelijk is gedurende 104 weken. De rechtbank heeft geen reden aan dit standpunt te twijfelen.
De stelling van de werkgever dat de werknemer hooguit zou kunnen re-integreren in een omgeving in het kader van beschut werken of dagbesteding, heeft de werkgever niet met medische stukken onderbouwd.
Niet zonder meer re-integratieactiviteit weglaten
Ook als er geen passende functies in regulier betaalde arbeid te duiden zijn vanwege de medische beperkingen die de werknemer heeft, mag de werkgever niet zonder meer elke re-integratieactiviteit achterwege laten.
In individuele situaties kan van een werkgever ook in redelijkheid verwacht worden dat hij bekijkt of de werknemer met behulp van scholing, training dan wel met een start van werkzaamheden op arbeidstherapeutische basis bij zijn terugkeer naar de arbeidsmarkt kan worden begeleid.
Ondersteuning van herstel
De rechtbank stelt vast dat de werknemer volgens het UWV, uitgaande van de functionele mogelijkhedenlijst, met de juiste begeleiding bij de werkgever ondersteund had kunnen worden met activering/arbeidstherapeutisch werk ter ondersteuning van herstel.
De arbeidsdeskundige heeft er in zijn rapportage op gewezen dat de werknemer thuiswerkte en streamde en ervoor openstond om iets te doen bij de werkgever, maar dat dit niet is gebeurd. De werkgever heeft dit niet weersproken.
De stelling van de werkgever in het beroepschrift dat duidelijk was dat de werknemer rust en ruimte nodig had om, zonder externe druk, goed aan zijn herstel te kunnen werken, is daarvoor onvoldoende. De rechtbank heeft namelijk geen objectieve gegevens aangetroffen die deze stelling onderbouwen.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het UWV terecht heeft geconcludeerd dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.
Geen deugdelijke grond
Vervolgens is de vraag aan de orde of een deugdelijke grond bestaat voor het niet verrichten van voldoende re-integratie-inspanningen. Als dat het geval is, legt het UWV geen loonsanctie op.
De werkgever heeft er in dit verband op gewezen dat is vastgesteld dat er zowel in spoor 1 als in spoor 2 geen arbeidsmogelijkheden zijn. De rechtbank begrijpt het standpunt van de werkgever zo dat hem niet kan worden verweten dat hij onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, omdat hij het advies van de bedrijfsarts heeft gevolgd.
Op basis van de k(FML) is een arbeidskundig onderzoek uitgevoerd waaruit gebleken is dat er geen resterende arbeidsmogelijkheden te duiden zijn. Op basis van dit rapport heeft de bedrijfsarts kennelijk geconcludeerd dat er geen re-integratiemogelijkheden zijn. Het volgen van dit advies van de bedrijfsarts levert voor de werkgever echter geen deugdelijke grond op voor het niet verrichten van voldoende re-integratie-inspanningen.
De werkgever blijft namelijk verantwoordelijk voor de re-integratie van zijn werknemer. Dit betekent dat de werkgever ook verantwoordelijk is voor de kwaliteit van het werk van deskundigen die hij heeft ingeschakeld. Daar komt bij dat de werkgever geadviseerd is een deskundigenoordeel aan te vragen bij het UWV. Dat heeft hij echter nagelaten.
Aangezien de werkgever niet naar de zitting is gekomen om deze toelichting te geven, gaat de rechtbank ervan uit dat hij geen plausibele reden had om geen deskundigenoordeel te vragen, hoewel hem was geadviseerd dit wel te doen. Er is dan ook geen deugdelijke grond voor het niet verrichten van voldoende re-integratie-inspanningen.
De rechtbank oordeelt dat het UWV terecht heeft geconcludeerd dat geen deugdelijke grond aanwezig was voor het niet verrichten van voldoende re-integratie-inspanningen.
Uitspraak Rechtbank Oost-Brabant, 3 februari 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:507

