Het kabinet zet zich in voor zekerheid en meedoen op de arbeidsmarkt. In het Hoofdlijnenakkoord staan bestaanszekerheid en koopkracht als eerste hoofdpunt genoemd. Meer specifiek met betrekking tot werken met en als zelfstandige(n) is opgenomen dat zekerheid op de arbeidsmarkt wordt gestimuleerd, bijvoorbeeld voor echte zelfstandigen (zzp’ers) in het zelfstandigenbeleid. Ook is opgenomen dat de wetsbehandeling van de Wet verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (VBAR) wordt voortgezet.
Dit kabinet wil door het herstellen van de balans op de arbeidsmarkt het werken met en als zelfstandige(n) toekomstbestendiger maken. Om dit te bereiken zet het kabinet in op drie lijnen:
- het realiseren van een gelijker speelveld tussen contractvormen (lijn 1);
- een betere werking van de arbeidsmarkt, waaronder meer duidelijkheid over de vraag wanneer gewerkt wordt als werknemer dan wel als zelfstandige (lijn 2); en
- verbetering van handhaving op schijnzelfstandigheid (lijn 3).
Daarbij geldt: de voortgang op de ene lijn kan niet wachten op de andere; elk van de drie is urgent om stappen op te zetten. Dit kabinet zet in op maatregelen die gericht zijn op zekerheid en meedoen op de arbeidsmarkt. In de brief wordt ook ingegaan op de voortgang van de drie lijnen en het vervolg hierop door dit kabinet.
Opheffen handhavingsmoratorium
Het Herstel- en Veerkrachtplan (HVP) kent een mijlpaal in de vorm van het opheffen van het handhavingsmoratorium in Q1 2025. Het niet halen van deze mijlpaal kan forse financiële consequenties hebben voor Nederland.
Het kabinet wil de handhaving op de kwalificatie van de arbeidsrelaties voor de loonheffingen door de Belastingdienst weer zo veel als mogelijk normaliseren. Het opheffen van het handhavingsmoratorium dat in 2016 van kracht is geworden draagt daaraan bij. Het volledig opheffen van het handhavingsmoratorium per 1 januari 2025 betekent het volgende:
- Met ingang van 1 januari 2025 gelden voor de Belastingdienst bij de handhaving op de kwalificatie van de arbeidsrelatie voor de loonheffingen weer de normale regels voor het opleggen van correctieverplichtingen, naheffingsaanslagen en boetes. Dit houdt onder andere in dat er niet meer eerst een aanwijzing hoeft te worden gegeven. Voor correcties die niet gerelateerd zijn aan het handhavingsmoratorium wijzigt er niets. Daarvoor gelden de reguliere regels voor het opleggen van de correctieverplichting. De reguliere regel is dat de Belastingdienst tot maximaal vijf jaar terug correcties kan opleggen.
- De focus binnen de handhaving op arbeidsrelaties is primair gericht op de loonheffingen bij de opdrachtgevers. De Belastingdienst houdt vanaf 1 januari 2025 wel rekening met het eerdere handhavingsmoratorium en zal dus alleen met terugwerkende kracht corrigeren tot de datum van de opheffing, te weten 1 januari 2025.
- Met betrekking tot de periode vóór 1 januari 2025 geldt dat Belastingdienst – met inachtneming van de vijfjaarstermijn – alleen correcties kan opleggen als sprake is van kwaadwillendheid of als een eerder gegeven aanwijzing niet in voldoende mate is opgevolgd. In die gevallen kan er worden gecorrigeerd en nageheven tot het moment waarop sprake was van kwaadwillendheid met een maximum van vijf jaren dan wel tot het moment dat de Belastingdienst de aanwijzing heeft gegeven.
Gelijker speelveld
De ongelijke behandeling van verschillende contractvormen in het arbeidsrecht, sociale zekerheid en fiscaliteit kan een oneigenlijke prikkel vormen om werk buiten loondienst te (laten) verrichten.
De volgende eerder aangekondigde maatregelen dragen bij aan een gelijker speelveld tussen werknemers en zelfstandigen:
- fiscale maatregelen: de (versnelde) afbouw van de zelfstandigenaftrek, uitfasering van de fiscale oudedagsreserve (FOR) en de fiscale verruiming opbouw derde pijler;
- een verder uit te werken verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen;
- mogelijkheden voor collectief onderhandelen voor zelfstandigen (als gevolg van een Europese verduidelijking hierop); en
- versterking van de positie van zelfstandigen in de SER.
Fiscale maatregelen
Met het Belastingplan 2023 is invulling gegeven aan de versnelde afbouw van de zelfstandigenaftrek. De zelfstandigenaftrek wordt in een aantal stappen afgebouwd naar € 900 in 2027. Door deze afbouw wordt de fiscale prikkel om werk als zelfstandige te verrichten in plaats van als werknemer sneller verkleind.
Fiscale oudedagsreserve afgeschaft
Een deel van de zelfstandigen zal naar aanleiding van de maatregel de prijzen verhogen, waardoor de prikkel voor bedrijven om met zelfstandigen te werken in plaats van met werknemers afneemt en de concurrentie tussen bedrijven die werknemers in dienst hebben en bedrijven die werken met zelfstandigen sneller meer gelijkmatig wordt. Met het Belastingplan 2023 is ook de FOR afgeschaft.
Met ingang van 1 januari 2023 kan een FOR niet verder meer worden opgebouwd. De tot en met 31 december 2022 opgebouwde FOR kan blijven staan of op basis van de toen geldende regels worden afgewikkeld. Door het afschaffen van de aftrekbaarheid van toevoegingen aan de FOR wordt een meer gelijke fiscale behandeling van werknemers, ondernemers en aanmerkelijkbelanghouders bereikt. Daarbij wordt ook het gebruik voor belastinguitstel zonder het vormen van een daadwerkelijke oudedagsvoorziening voorkomen en kan ervoor worden gezorgd dat reële oudedagsvoorzieningen extern (buiten de risicosfeer van de onderneming) worden ondergebracht.
MKB-vrijstelling omlaag
Naast voorgenoemde maatregelen verlaagt het Belastingplan 2024 de MKB-winstvrijstelling naar 13,31% in 2024 en 12,7% in 2025. Deze maatregel draagt ook bij aan het verkleinen van het verschil in de fiscale behandeling van werknemers en ondernemers in de inkomstenbelasting.
Fiscale ruimte voor pensioensparen in derde pijler verruimd
Met de Wet toekomst pensioenen is de fiscale ruimte voor pensioensparen in de derde pijler fors verruimd zodat zelfstandigen vergelijkbare fiscale ruimte voor pensioenopbouw wordt geboden als werknemers. Daarnaast is het mogelijk gemaakt dat bij wijze van experiment door zelfstandigen vrijwillig kan worden deelgenomen aan pensioenregelingen in de tweede pijler.
Wetsvoorstel BAZ
Een conceptwetsvoorstel dat een verplichte verzekering tegen inkomensverlies voor zelfstandigen regelt (Wet BAZ) heeft van 11 juni tot 23 juli jl. voor consultatie opengestaan.
Op deze consultatie zijn 1755 openbare reacties binnengekomen, en 505 niet-openbare reacties. Ook zijn uitvoeringstoetsen en adviezen gevraagd aan UWV, Belastingdienst, Sociale Verzekeringsbank, de Autoriteit Financiële Markten, Autoriteit Persoonsgegevens, Raad voor de Rechtspraak en het Adviescollege toetsing regeldruk.
De Wet BAZ maakt als hervorming onderdeel uit van het HVP. Binnen het HVP is voor de Wet BAZ als eerste mijlpaal opgenomen: de publicatie van de wetgeving in het Staatsblad in Q1 2025. Dit betekent dat ook de beide Kamers het wetsvoorstel moeten hebben aangenomen. Eerder is de Tweede Kamer geïnformeerd dat er een aannemelijk risico was dat de HVP-deadline niet gehaald zou worden, vanwege de vertraging in het proces richting uitvoeringstoetsen en internetconsulatie.
Mijlpaal niet gehaald
Niet (tijdig of volledig) halen van de mijlpaal heeft financiële gevolgen in de vorm van een substantiële korting op de te ontvangen middelen uit de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit (max. € 600 mln.).
Gezien de stand van het wetgevingstraject, acht het kabinet het tijdig halen van deze mijlpaal niet langer realistisch. Na bestudering van consultatie, adviezen en toetsen, wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de vervolgstappen, inclusief de wijze waarop die vervolgstappen van invloed zijn op (de mijlpalen van) het HVP.
Voortgang arbeidsmarktpakket (lijn 2)
De kwalificatie van de arbeidsrelatie is primair een arbeidsrechtelijk vraagstuk. Als voldaan is aan de wettelijke vereisten (arbeid, loon en werken in dienst van), dan is er sprake van een arbeidsovereenkomst. Dit is dwingend recht. In veel gevallen zijn de regels rondom de beoordeling van arbeidsrelaties helder. Bij een deel van de gevallen is het echter lastiger te concluderen of sprake is van een arbeidsovereenkomst of dat het werk uitgevoerd mag worden door een zelfstandige. Dit komt door de open geformuleerde wetgeving.
Jurisprudentie
Voor zelfstandigen en hun opdrachtgevers moet duidelijk zijn welke ruimte zij hebben om een overeenkomst met elkaar te sluiten in de vorm die zij willen. Deze wetgeving is echter in de loop der jaren duidelijker geworden door jurisprudentie, zoals het Deliveroo-arrest. Het kan voor partijen lastig zijn om de jurisprudentie zelf te kennen en te wegen. Daarom is onder andere de webmodule ontwikkeld, het Handboek Loonheffingen aangevuld en wordt de rijksbrede publiekscommunicatie gestart.
Wetsvoorstel VBAR
Het kabinet zet zich in om de positie van mensen op de arbeidsmarkt te verbeteren. Onderdeel van die inzet is het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (VBAR). Dit wetsvoorstel codificeert jurisprudentie in een overzichtelijk toetsingskader.
Daarnaast introduceert het kabinet in het wetsvoorstel een rechtsvermoeden van werknemerschap, op basis van een uurtarief. Dit rechtsvermoeden maakt het voor werkenden aan de basis van de arbeidsmarkt makkelijker om aanspraak te maken op een arbeidsovereenkomst. De vorige minister van SZW heeft het wetsvoorstel VBAR voor advies naar de Raad van State gestuurd.
Het wetsvoorstel VBAR maakt als hervorming ook onderdeel uit van het HVP. Binnen het HVP is voor de Wet VBAR als mijlpaal opgenomen: de publicatie van de wetgeving in het Staatsblad in Q1 2025 en inwerkingtreding per 1 januari 2026.
Kamerbrief met kabinetsreactie op opheffen handhavingsmoratorium

