De kantonrechter vernietigt het ontslag op staande voet wegens het ontbreken van een dringende reden. Dat de werknemer op basis van een overeenkomst van opdracht werkzaamheden tegen betaling bij een derde heeft verricht en daarvan geen melding bij de werkgever heeft gemaakt, levert geen strijd met de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst op.
Uit de door werkgever gestelde partijbedoeling blijkt ook niet dat onder de woorden ‘dienstverband’ en ‘werkgever’ zoals genoemd in de vaststellingsovereenkomst, ook een overeenkomst van opdracht moet worden verstaan. Dit brengt mee dat de vaststellingsovereenkomst herleeft en dat werkgever gehouden is tot nakoming daarvan.
Het voorwaardelijk ontbindingsverzoek van werkgever op basis van de e-grond wordt afgewezen, omdat het verrichten van werkzaamheden bij een derde en het in strijd met de instructie van de werkgever meenemen van de bedrijfsauto, die de werknemer enkele dagen later alsnog heeft ingeleverd, geen verwijtbaar handelen opleveren.
Daarnaast heeft werkgever geen belang bij het ontbindingsverzoek op grond van de g-grond, omdat de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt op 17 mei 2026 en de arbeidsovereenkomst met inachtneming pas op 1 juni 2026 kan worden ontbonden.
Waar gaat deze zaak over?
De werknemer is per 10 februari 2025 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij de werkgever op basis van een werkweek van 40 uur. Zijn functie is operationeel directeur met een loon van € 6.775 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. Daarnaast is aan hem een bedrijfsauto ter beschikking gesteld.
Vaststellingsovereenkomst
De werknemer en de bestuurder hebben op 17 mei 2025 afspraken gemaakt die in een vaststellingsovereenkomst zijn vastgelegd. Daarin staat onder meer dat:
“(…)
Hierbij bevestigen wij de onderling overeengekomen zaken in deze vaststellingsovereenkomst. (…)
- Werkgever en werknemer komen met wederzijde overeenstemming dat het dienstverband wordt beëindigd per 17-05-2026.
- Werknemer zal tot en met 17-5-2026 in dienst blijven.
Met dien verstanden:
Werknemer zal als er eerder een nieuwe werkgever komt contact opnemen over het dan eerder stoppen van de lopende afspraken en het dienstverband met die datum te laten beëindigen daar wanneer een nieuw dienstverband aangegaan wordt.”
Ontslagbrief
Op 19 november 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden waarin de werknemer op staande voet is ontslagen. Dit is dezelfde dag per brief bevestigd. Hierin staat onder meer het volgende:
“In september 2025 ontving ik van een anonieme bron de informatie dat er bij [het bedrijf] in de zomer uren in rekening zouden zijn gebracht voor werkzaamheden die door jou voor [het bedrijf] zijn verricht.
Ik heb vervolgens per mail bij jou navraag gedaan of je werkzaamheden elders verricht of mogelijk kansen hebt, waarop je negatief reageerde.
Jouw antwoord vond ik onbevredigend. (…)
Vervolgens hebben wij [een] recherchebureau opdracht gegeven om onderzoek te doen. Dit onderzoek werd op 18 november 2025 afgerond. (…)
In het gesprek vandaag heb ik je gevraagd hoe het vinden van ander werk er op dit moment voor staat. Je antwoordde daarop dat je druk bezig bent.
Vervolgens heb ik je geconfronteerd met het feit dat mij informatie had bereikt dat je wellicht werkzaam bent voor [het bedrijf].
Op mijn vraag of dat pro deo is of vergoed wordt, antwoordde je dat je denkt dat het pro deo is. Na dat antwoord kantelde het gesprek en gaf je ineens aan dat het er niet toe doet, omdat wij een vaststellingsovereenkomst met elkaar hebben en je deze zo leest dat jij mij alleen behoeft te informeren als er sprake is van een andere werkgever. Bijzonder genoeg voegde je daaraan toe dat als ik het met jouw lezing niet eens zou zijn, jij en ik naar de rechter moeten ‘om de vso te laten bekrachtigen’.
Vervolgens heb ik aangegeven het gevoel te hebben dat je wel bij [het bedrijf] in een soort van dienstverband werkzaam bent, dat je daar structureel werk voor doet en dat we dat hebben onderzocht. Uit de autogegevens blijkt dat je daar structureel vanaf juli 2025 aanwezig bent.
Ik gaf vervolgens aan dat jouw handelen een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert, waarop je aangaf dat dat door de vaststellingsovereenkomst niet mogelijk is. Vervolgens gaf ik aan dat ik de sleutels van de auto met het kenteken terug wil en als je dat niet doet ik aangifte zal doen van diefstal. Ondertussen verliet je op zeer agressieve wijze de kamer en was niet meer voor rede vatbaar. (…)
Je hebt vervolgens zeer agressief rijgedrag vertoond en daarbij niet alleen mijn leven en gezondheid, maar ook dat van anderen op het spel gezet. (…)
De hierboven genoemde omstandigheden leveren (…) een dringende reden (…) op. Het ontslag op staande voet brengt dat de arbeidsovereenkomst met jou met ingang van vandaag, 19 november 2025, tot een einde is gekomen.”
Verweer werknemer
De werknemer is naar de rechter gestapt om het ontslag op staande voet te vernietigen.
Ter zitting heeft de werknemer verklaard dat hij nog steeds werkzaamheden voor het bedrijf verricht, maar op basis van een overeenkomst van opdracht en dat dit geen dienstverband is. Hij declareert vanaf augustus € 75 per uur voor die werkzaamheden.
Volgens de werknemer zijn de bepalingen van de vaststellingsovereenkomst duidelijk en zij bevatten geen verplichting dat hij andere werkzaamheden dan die uit een nieuw dienstverband bij de werkgever moet melden. Hij is dan ook van mening dat hij zich heeft gehouden aan de verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst.
‘Werkgever’ en ‘dienstverband’ in vso
De kantonrechter oordeelt als volgt. In de door de werkgever opgestelde vaststellingsovereenkomst worden expliciet de woorden ‘werkgever’ en ‘dienstverband’ vermeld. Dat de werknemer op basis van een overeenkomst van opdracht werkzaamheden tegen betaling bij een derde heeft verricht en daarvan geen melding heeft gemaakt bij de werkgever, is dan ook niet in strijd met die bewoordingen.
De overeenkomst is op 17 mei 2025 door de bestuurder van de werkgever tijdens het gesprek opgesteld. Niet is gebleken dat partijen tijdens dit gesprek hebben besproken dat iedere vorm van inkomsten aan de kant van de werknemer aan de werkgever moet worden gemeld. Ook is er geen enkele aanwijzing voor de door de werkgever gestelde partijbedoeling dat onder de woorden ‘dienstverband’ en ‘werkgever’ ook een overeenkomst van opdracht moet worden verstaan.
Omdat het ontslag op staande voet wordt vernietigd herleeft de vaststellingsovereenkomst en is de werkgever gehouden tot nakoming daarvan.
Vergoedingen bedrijfsauto en schade
Het verzoek van de werknemer tot betaling van een vergoeding van € 4.221,00 netto vanwege het (onterecht) geen beschikking meer hebben over de bedrijfsauto wijst de kantonrechter toe, aangezien de werkgever de verschuldigdheid daarvan niet heeft betwist.
De werknemer heeft verder terugbetaling van het bedrag van € 1.950 netto verzocht, omdat de werkgever dit ten onrechte zou hebben ingehouden vanwege schade die door de werknemer aan de bedrijfsauto zou zijn veroorzaakt.
Tussen partijen is niet in geschil dat de bedrijfsauto schade had op het moment dat de werknemer deze auto heeft achtergelaten bij de garage. Wel staat tussen partijen ter discussie of de werknemer deze schade heeft veroorzaakt, De werknemer betoogt dat de schade al aanwezig was toen hij de auto in gebruik nam.
Het is aan de werkgever om voldoende feiten te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit volgt dat de schade door de werknemer is veroorzaakt. Dit heeft hij niet gedaan, terwijl het op zijn weg had gelegen om een ‘beginstaat’ van de bedrijfsauto over te leggen, die vergeleken kon worden met de eindstaat van de bedrijfsauto (de staat bij inlevering). De werkgever wordt veroordeeld tot (terug)betaling van het bedrag van € 1.950 netto.
Beslissing
De kantonrechter:
- vernietigt het ontslag op staande voet;
- verklaart voor recht dat de werkgever de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst van 17 mei 2025 moet nakomen,
- veroordeelt de werkgever om aan de werknemer te betalen het bedrag van € 6.775 aan brutoloon per maand vanaf 19 november 2025 tot en met maart 2026;
- veroordeelt de werkgever om vanaf april 2026 aan de werknemer te betalen het brutoloon van € 6.775 per maand tot en met 17 mei 2026;
- veroordeelt de werkgever om in mei 2026 aan de werknemer te betalen de vakantiebijslag;
- veroordeelt de werkgever om aan de werknemer te betalen de netto bedragen van € 4.221 en € 1.950.
Uitspraak Rechtbank Gelderland, 3 april 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:3193

