Partijen verschillen van mening over de vraag of zij hebben afgesproken dat de werkgever een pensioenvoorziening voor de werkneemster, indertijd werkzaam als advocaat-stagiaire, had moeten treffen of dat de werkgever dit alleen hoefde te doen als dit gebruikelijk was voor advocaten in loondienst. Het eindoordeel van het hof is dat de werkgever voor werkneemster een pensioenvoorziening over de periode van 6 januari 2006 tot 1 juli 2008 moet treffen zoals die voor advocaten in loondienst gebruikelijk is.
Onvoorwaardelijke afspraak
In het tussenarrest heeft het hof, na het horen van getuigen, geoordeeld dat de werkgever niet geslaagd is in het ontzenuwen van de voorshands bewezen geachte onvoorwaardelijke afspraak dat voor de werknemer een pensioenverzekering wordt afgesloten, zoals die voor advocaten in loondienst gebruikelijk is. Dit betekent dat de vordering van de werknemer toewijsbaar is in die zin dat de werkgever wordt veroordeeld tot het treffen van een pensioenverzekering over de periode van 6 januari 2006 tot 1 juli 2008 die voor advocaten in loondienst gebruikelijk is.
Pensioenafspraak biedt voldoende houvast
Verder heeft het hof overwogen dat de pensioenafspraak voldoende houvast biedt om in onderling overleg een voor de werknemer passende pensioenvoorziening te treffen, ook al hebben partijen destijds niet over concrete bedragen gesproken.
Welke pensioenvoorziening is gebruikelijk?
In dat verband brengt een redelijke uitleg van de pensioenafspraak mee dat onderzocht wordt welke pensioenvoorziening gebruikelijk is voor een advocaat in loondienst met een vergelijkbare positie, ervaring en achtergrond als die van de werknemer. Ook heeft het hof overwogen problemen te voorzien bij de executie van een toewijzend arrest omdat er tussen partijen geen overeenstemming bestaat hoe de werkgever precies aan deze veroordeling zou kunnen voldoen.
Omschrijven wat gebruikelijke pensioenverzekering was
Het hof heeft partijen daarom verzocht om te omschrijven (en zoveel mogelijk met stukken te onderbouwen) wat met ingang van 6 januari 2006 een voor een advocaat in loondienst – met een positie, achtergrond en ervaring als die van de werknemer – gebruikelijke pensioenverzekering zou zijn geweest en wat – ervan uitgaande dat de pensioenverzekering was aangegaan voor de periode 6 januari tot en met 30 juni 2008 – er nu nodig is om daarin alsnog te voorzien.
Het hof heeft ook de mogelijkheid geboden deze kwestie tijdens een mondelinge behandeling met partijen te bespreken, maar deze mondelinge behandeling heeft geen doorgang gevonden.
“Quick and dirty” berekening
De werknemer heeft bij brief van 12 januari 2024 aan het hof gezonden een “quick and dirty” berekening van de door haar geleden pensioenschade van € 24.643. De werkgever heeft in de aan het hof toegezonden akte uitlaten betwist dat deze berekening kan dienen als onderbouwing voor wat een gebruikelijke pensioenvoorziening zou zijn geweest.
Niet tot overeenstemming gekomen
Het hof moet naar aanleiding van bovenstaande correspondentie concluderen dat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen over hoe de werkgever aan de veroordeling zou kunnen voldoen. Dit laat echter onverlet dat de vordering van de werknemer toewijsbaar is.
Dwangsom
Uit de proceshouding van de werkgever valt op te maken dat hij niet van plan is vrijwillig aan de veroordeling te voldoen. Het hof acht daarom aangewezen om de gevorderde dwangsom aan de nakoming te verbinden. Het hof verbindt aan de te verbeuren dwangsommen een maximum van € 50.000.
Beslissing
Het hof veroordeelt de werkgever om binnen vier weken ten behoeve van de werknemer een pensioenvoorziening over de periode van 6 januari 2006 tot 1 juli 2008 te treffen zoals die voor een advocaat in loondienst – met een positie, achtergrond en ervaring als die van de werknemer – gebruikelijk is, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500 per dag of deel van een dag dat de werkgever ondanks betekening van dit arrest in gebreke zal blijven aan deze veroordeling te voldoen, -met een maximum van € 50.000.

