Het Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit allocatie arbeidskrachten door intermediairs in verband met enkele wijzigingen van technische aard is gepubliceerd.
Het Besluit tot wijziging van het Besluit allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Baadi) in verband met de invoering van een toelatingsplicht voor het ter beschikking stellen van arbeidskrachten is op 20 februari 2026 gepubliceerd.
De Wet toelating ter beschikkingstelling van arbeidskrachten introduceert het toelatingsstelsel voor het ter beschikking stellen van arbeidskrachten in de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi).
Dit besluit brengt een aantal wijzigingen aan in het Besluit allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Baadi). Deze wijzigingen zien op de nadere uitwerking van de vergoeding die uitleners verschuldigd zijn in verband met de aanvraag voor een (voorlopige) toelating en de vergoeding die inspectie-instellingen verschuldigd zijn in verband met de aanwijzingsprocedure.
Wijzigingen Baadi
De wijzigingen in de Baadi zijn de volgende:
Uitleners geven jaaromzet op vanwege hoogte jaarbijdrage
Artikel 12i, derde lid van de Waadi regelt dat de aanvrager van een (voorlopige) toelating een vergoeding is verschuldigd ter dekking van de toelatingsprocedure. Dit besluit regelt dat deze vergoeding bestaat uit een vergoeding voor de aanvraagprocedure en een jaarlijkse vergoeding gedurende de looptijd van de
(voorlopige) toelating voor het behoud van een (voorlopige) toelating.
Voor de voorlopige toelating is deze laatste vergoeding eenmalig. De jaarbijdrage is verschuldigd als de uitlener op grond van een (voorlopige) toelating of op grond van het overgangsrecht in het register staat.
De jaarbijdrage wordt gedifferentieerd naar de bedrijfsgrootte van de uitlener, zodat kleinere ondernemingen een lagere vergoeding betalen. De bedrijfsgrootte wordt bepaald aan de hand van de omzet.
Een uniform tarief voor de eenmalige bijdrage bij voorlopige toelating is gelet op de korte termijn (zes maanden) van de voorlopige toelating efficiënter. Om de hoogte van de vergoeding voor de jaarbijdrage vast te stellen, geeft de uitlener bij de aanvraag tot toelating de hoogte van de jaaromzet in het voorafgaande kalenderjaar op. Dit is het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarin de aanvraag tot toelating wordt ingediend.
Bij ministeriële regeling wordt uitgewerkt met welke bewijsmiddelen de uitlener de omzet kan onderbouwen. Wat onder de totale omzet in dit besluit moet worden volstaan volgt uit het bewijsmiddel dat de uitlener overlegt.
Controleplichtige ondernemingen en ondernemingen die over een gecontroleerde jaarrekening beschikken, kunnen het bedrag vermelden van de totale omzet dat in de jaarrekening is verantwoord.
Leges aanwijzing inspectie-instellingen
Ingevolge de wet zijn inspectie-instellingen een vergoeding verschuldigd ter dekking van de kosten van de aanwijzingsprocedure. Dit besluit verduidelijkt dat deze vergoeding bestaat uit een vergoeding die voor de aanvraag verschuldigd is en een jaarlijkse vergoeding die voor het behoud van de aanwijzing verschuldigd is.
Het uitgangspunt is dat de kosten voor de uitvoering van het stelsel voor rekening van de betreffende ondernemingen komen die een aanvraag indienen.
De aanwijzing wordt voor vier jaar afgegeven. Na aanwijzing door de Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt is de inspectie-instelling een jaarbijdrage verschuldigd voor het in stand houden van de aanwijzing.
Bij ministeriële regeling worden de tarieven vastgesteld.
Indexering maximum leges
Dit besluit regelt dat de maximale vergoeding voor toelating jaarlijks wordt geïndexeerd op basis van de contractloonontwikkeling in het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar.

