De werknemer is op 1 november 2018 bij de werkgever in dienst getreden. Op 16 september 2021 werd de werknemer arbeidsongeschikt. De wachttijd van 104 weken verstreek op 14 september 2023, waarna sprake was van een slapend dienstverband.
Op 25 september 2023 heeft de werkgever, in overleg met de werknemer, bij UWV een ontslagvergunning wegens langdurige ziekte aangevraagd. UWV heeft die vergunning verleend op 25 oktober 2023. Op 27 oktober 2023 is de werknemer overleden. Op dat moment had de werkgever het dienstverband nog niet opgezegd.
De werkgever heeft vervolgens een transitievergoeding van € 6.140,79 bruto aan de (erven van de) werknemer betaald en bij UWV een aanvraag ingediend voor compensatie van deze vergoeding.
Geen compensatie bij overlijden
Volgens UWV komt de werkgever niet in aanmerking voor compensatie van de betaalde transitievergoeding, omdat een transitievergoeding niet verschuldigd is wanneer de arbeidsovereenkomst eindigt door het overlijden van de werknemer.
Met het overlijden van de werknemer op 27 oktober 2023 is de arbeidsovereenkomst van rechtswege geëindigd. Dat de werkgever toch een transitievergoeding heeft betaald, kan worden gezien als goed werkgeverschap, maar er bestond geen wettelijke verplichting daartoe. Volgens UWV biedt de toepasselijke wet- en regelgeving geen ruimte om in een situatie als deze alsnog compensatie te verlenen.
Niet in geschil is dat de werkgever geen recht heeft op compensatie op grond van artikel 7:673e van het BW. Daarvoor is namelijk vereist dat de arbeidsovereenkomst is beëindigd door opzegging, door ontbinding of als gevolg van een (vaststellings)overeenkomst dan wel is geëindigd vanwege een van de andere in dat artikel omschreven limitatief omschreven gevallen (die zich in deze zaak niet voordoen).
Toch aanspraak op compensatie?
Het geschil spitst zich toe op de vraag of de werkgever toch aanspraak kan maken op compensatie op basis van de aangehaalde rechtspraak (dan wel de daarin toegepaste Xella-norm). Daarnaast moet worden beoordeeld of de werkgever een recht op compensatie kan ontlenen aan door UWV gevoerd buitenwettelijk beleid.
Xella-norm
De Xella-norm houdt in dat een werkgever op grond van goed werkgeverschap gehouden is om in te stemmen met het redelijke voorstel tot beëindiging van een slapend dienstverband, onder toekenning van een vergoeding ter hoogte van de wettelijke transitievergoeding.
Rechtshandeling
Ook hiervoor geldt echter dat er dan nog wel een rechtshandeling nodig is, bijvoorbeeld instemming met het voorstel van een werknemer tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst onder toekenning van een vergoeding ter hoogte van de wettelijke transitievergoeding.
In artikel 7:673e van het BW is daarmee rekening gehouden door in het derde lid het recht op compensatie uit te breiden naar situaties waarin de arbeidsovereenkomst door middel van een overeenkomst is beëindigd. Aangezien de werknemer daar (nog) niet aan mee wilde werken, is dat in dit geval niet gebeurd.
Buitenwettelijk begunstigend beleid
In de uitspraak van de rechtbank Limburg waar de werkgever naar verwijst, is geoordeeld dat het standpunt dat UWV in die procedure had ingenomen in het verweerschrift de beschrijving van buitenwettelijk begunstigdend beleid inhoudt.
UWV heeft in het verweerschrift onder meer opgemerkt:
“Naar onze mening vloeit uit artikel 7:673 BW voort dat een transitievergoeding pas verschuldigd is nadat een rechtshandeling heeft plaatsgevonden die leidt tot het einde van de arbeidsovereenkomst. Dit betekent volgens ons dat de beëindiging concreet in gang moet zijn gezet op het moment van overlijden”.
Zoals UWV ter zitting nader heeft toegelicht, wordt daaronder verstaan een opzegging, een ontbindingsbeschikking of een beëindiging met wederzijds goedvinden, waarbij in dat laatste geval die overeenstemming tijdens de gesprekken kan ontstaan. Of de beëindiging ‘concreet in gang is gezet’ hangt af van de omstandigheden van het geval.
Beëindiging niet concreet in gang gezet
Uit correspondentie kan bijvoorbeeld blijken dat overeenstemming is bereikt en alleen nog geformaliseerd moet worden via een vaststellingsovereenkomst (vso), aldus UWV. UWV verlangt bij een beëindiging met wederzijds goedvinden dus kennelijk niet per definitie een getekende vso en in zoverre is dan inderdaad sprake van buitenwettelijk begunstigend beleid.
Van een inconsistente toepassing van het beleid van UWV, zoals de werkgever stelt, is geen sprake. In dit geval hebben werkgever en werknemer niet met elkaar gesproken over een beëindiging met wederzijds goedvinden, althans de werknemer wilde daar niet aan meewerken zolang er nog onduidelijkheid was over zijn recht op een WIA-uitkering.
Van een concreet in gang gezette beëindiging zoals bedoeld in het buitenwettelijk begunstigend beleid van UWV was dus geen sprake.
Uitspraak Zeeland-West-Brabant, 25 november 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:8314

