Weigering aanpassing WIA-dagloon. Hoger beroep slaagt. De man voldoet niet aan de voorwaarde van artikel 13a, lid 1 Wet WIA dat een tweede ziekte-uitval moet plaatsvinden na het ontstaan van een WIA-uitkering.
De Centrale Raad van Beroep concludeert dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden die de wetgever niet heeft verdisconteerd bij het vaststellen van artikel 13a van de Wet WIA.
De Raad oordeelt dat het dagloon uit het tweede dienstverband inclusief ziekengeld wél moet worden meegewogen, omdat ziekengeld in artikel 13 en artikel 13a Wet WIA niet van het loonbegrip is uitgesloten. De Raad stelt zelf de hoogte van het dagloon vast.
UWV past WIA-dagloon niet aan
Het gaat in deze zaak over de weigering van UWV om op het moment dat een tweede recht op een WIA-uitkering zou zijn ontstaan het eerder vastgestelde WIA-dagloon te wijzigen, omdat de man niet voldoet aan het criterium van artikel 13a, eerste lid, aanhef, onder a, van de Wet WIA. Daarin staat het volgende:
Artikel 13a. Opnieuw vaststellen dagloon
1 Het dagloon van de verzekerde,
a. die na het ontstaan van het recht op uitkering op grond van deze wet ziek is geworden, en
De man is niet ziek geworden uit een tweede dienstverband na het ontstaan van de WIA-uitkering, maar daarvoor.
Waar gaat deze zaak over?
De man werkte vanaf 1 september 2015 als ijshockeyspeler bij een stichting voor 15 uur per week. Daarnaast heeft hij vanaf 1 september 2016 voor 32 uur per week gewerkt als financieel adviseur.
Op 14 december 2016 is de man uitgevallen voor zijn werkzaamheden als ijshockeyspeler. Op 6 augustus 2018 is hij uitgevallen voor zijn werk als financieel adviseur.
Loongerelateerde WGA-uitkering
UWV heeft de man per 12 december 2018 in verband met de uitval voor zijn werkzaamheden als ijshockeyspeler een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend tot en met 11 juni 2020.
Het WIA-maandloon is vastgesteld op € 2.633,06 en het WIA-dagloon op € 121,06. Daarbij is uitgegaan van een referteperiode van 1 december 2015 tot en met 30 november 2016.
Met ingang van 12 juni 2020 is de loongerelateerde WGA-uitkering omgezet in een loonaanvullingsuitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%.
In verband met zijn ziekmelding per 6 augustus 2018 voor het werk als financieel adviseur heeft UWV bij besluit van 30 september 2020 de duur van de loongerelateerde uitkering verlengd tot en met 2 maart 2022. Daarbij is bepaald dat de hoogte van de al lopende WIA-uitkering niet wijzigt.
WIA-dagloon wijzigt niet
Bij besluit van 7 oktober 2020 is de man meegedeeld dat zijn WIA-dagloon niet wijzigt, omdat hij niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 13a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet WIA.
Bij beslissing op bezwaar van 17 maart 2021 (bestreden besluit) heeft UWV het bezwaar van de man tegen de besluiten van 30 september 2020 en 7 oktober 2020 ongegrond verklaard.
Niet voldaan aan voorwaarden
UWV heeft het standpunt dat de man niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 13a. eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet WIA gehandhaafd, aangezien op het moment van de tweede ziekmelding geen sprake was van een lopende WIA-uitkering of een herleefd WIA-recht.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de voorwaarden waaronder het dagloon kan worden verhoogd dwingendrechtelijk zijn neergelegd in artikel 13a van de Wet WIA en dat de man niet voldoet aan die voorwaarden.
Ongewijzigde vaststelling WIA-dagloon zeer nadelig
De man is van mening dat de ongewijzigde vaststelling van zijn WIA-dagloon zeer nadelig is en dat UWV na afloop van de tweede ziekteperiode van 104 weken het dagloon had moeten aanpassen.
Het dagloon van het niet ontstane tweede WIA-recht is vastgesteld op € 222,78, maar het eerder vastgestelde dagloon van € 121,06 is dus niet gewijzigd. Volgens de man is sprake van strijd met de verzekeringsgedachte en het evenredigheidsbeginsel.
Hoger loon, maar geen hoger dagloon
Het eerder vastgestelde dagloon is gebaseerd op twaalf maanden loon als hockeyspeler en slechts drie maanden loon als financieel adviseur dat de man heeft genoten in het refertejaar voorafgaand aan de eerste ziekmelding op 14 december 2016, terwijl hij in het jaar voorafgaand aan zijn tweede ziekmelding op 6 augustus 2018 gedurende twaalf maanden loon heeft genoten uit zijn dienstverband als financieel adviseur. Dit hogere loon leidt echter na het vervullen van de tweede wachttijd niet tot een hoger dagloon, omdat de man uit dit tweede dienstverband ziek is geworden voordat het recht op de WIA-uitkering is ontstaan.
Vastgestelde dagloon niet representatief
Volgens de man zou zijn dagloon vanaf zijn tweede ziekteperiode van 104 weken moeten worden gebaseerd op de volledige inkomsten uit de twee dienstbetrekkingen waaruit hij zich ziek heeft gemeld. Zijn dagloon zou dan op het maximumdagloon uitkomen.
Het eerder vastgestelde dagloon is volgens de man niet representatief voor het inkomen dat hij genoot en waarvoor hij was verzekerd en daarom pakt de toepassing van artikel 13a van de Wet WIA voor hem onevenredig uit.
Niet voldaan aan voorwaarde artikel 13a WIA
Na zijn uitval als ijshockeyspeler heeft de man nog geruime tijd, te weten ongeveer 20 maanden als financieel adviseur gewerkt. De omvang van dit dienstverband was groter dan de omvang van zijn dienstverband als ijshockeyspeler en ook het loon uit zijn dienstverband als financieel adviseur was hoger dan het loon dat hij ontving als ijshockeyspeler.
Ondanks dat de man deze werkzaamheden geruime tijd, waaronder het gehele refertejaar voor zijn tweede niet-ontstane WIA-recht, heeft verricht en premies voor de werknemersverzekeringen heeft betaald, wordt na het ontstaan van een fictief tweede WIA-recht het dagloon niet verhoogd, omdat hij vier maanden voor de toekenning van het eerste WIA-recht is uitgevallen voor zijn werkzaamheden als financieel adviseur en hij dus niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 13a, eerste lid, aanhef, onder a, van de Wet WIA.
Wetsgeschiedenis
De man wordt gevolgd in zijn standpunt dat in de wetsgeschiedenis bij de totstandkoming van artikel 13a van de Wet WIA niet is terug te vinden waarom de wetgever de mogelijkheid tot verhoging van het dagloon alleen heeft geïntroduceerd voor de situatie dat een betrokkene al een WIA-uitkering ontvangt.
Uit de wetsgeschiedenis valt dus niet af te leiden waarom de wetgever de mogelijkheid tot het verhogen van het dagloon heeft beperkt tot werknemers die op het moment van uitval uit een tweede dienstverband al een WIA-uitkering ontvingen. De Raad heeft daarom vragen gesteld aan de minister over artikel 13a van de Wet WIA.
De minister heeft geen antwoord gegeven op de vraag waarom de wetgever de mogelijkheid tot het verhogen van het dagloon heeft beperkt tot werknemers die bij de uitval uit het tweede dienstverband al een WIA-uitkering ontvingen.
Bijzondere omstandigheden
De Centrale Raad van Beroep concludeert dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden die de wetgever niet heeft verdisconteerd bij het vaststellen van artikel 13a van de Wet WIA, waardoor toepassing van dit artikel, voor zover daarin de voorwaarde is opgenomen dat voor het opnieuw kunnen vaststellen van het dagloon geldt dat een betrokkene na het ontstaan van het recht op een WIA-uitkering ziek is geworden, zo zeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing in dit geval achterwege moet blijven.
Rekening houden met ziekengeld
Anders dan UWV heeft betoogd, ziet de Raad geen aanleiding om bij de vaststelling van het dagloon uit het tweede dienstverband van de man geen rekening te houden met het ziekengeld dat de man in de referteperiode heeft ontvangen.
In artikel 13 en artikel 13a Wet WIA van de Wet WIA wordt ziekengeld – anders dan een WIA-uitkering – namelijk niet uitgesloten van het loonbegrip. In het dagloonrapport van 31 augustus 2020 heeft UWV het dagloon van het niet ontstane recht – na indexering en maximering ‑ per 1 juli 2020 vastgesteld op € 222,78.
Beslissing
De Centrale Raad van Beroep:
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 17 maart 2021;
- herroept de besluiten van 30 september 2020 en 7 oktober 2020 voor zover daarbij is bepaald dat het dagloon niet wijzigt;
- stelt het dagloon op 2 augustus 2020 vast op een bedrag van € 222,78 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats komt van het vernietigde besluit van 17 maart 2021.
Uitspraak Centrale Raad van Beroep, 18 februari 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:159

