De werknemer werkte bij de Drug Enforcement Administration (DEA) in Turkije en Nederland. De arbeidsovereenkomst is opgezegd na twee jaar arbeidsongeschiktheid. Hij heeft recht op een transitievergoeding over de volledige arbeidsperiode wegens opvolgend werkgeverschap. Ook bestaat recht op een billijke vergoeding wegens het ontbreken van UWV-toestemming voor de opzegging, maar deze wordt op nihil gesteld mede omdat het doorlopen van een UWV-procedure financieel geen verschil zou hebben gemaakt.
De werknemer heeft geen recht op achterstallig loon wegens een onjuiste inschaling of overuren. Deze vorderingen zijn daarnaast deels verjaard en ten aanzien van de overurenvordering is ook de klachtplicht geschonden.
Transitievergoeding
De transitievergoeding is verschuldigd als de arbeidsovereenkomst op initiatief van de werkgever is geëindigd, door bijvoorbeeld opzegging (artikel 7:673 lid 1 sub a onder 1 BW). De transitievergoeding wordt berekend over het gehele dienstverband, waarbij voorgaande overeenkomsten worden meegeteld als sprake is van opvolgend werkgeverschap (lid 4). Dit is bij een werkgeverswisseling na 1 juli 2015 het geval als de werknemer dezelfde vaardigheden en verantwoordelijkheden heeft gehouden. Is bij beëindiging van een voorafgaande arbeidsovereenkomst een transitievergoeding betaald, dan wordt dat bedrag in mindering gebracht op de transitievergoeding die verschuldigd is (lid 5).
De kantonrechter volgt de VS in het standpunt dat de transitievergoeding moet worden berekend op basis van het salaris behorend bij indeling in salarisschaal FSN-9.
De VS heeft onweersproken gesteld dat deze functie een speciaal voor de werknemer gecreëerde functie betreft en dat zij het takenpakket behorend bij deze functie door het Regionaal Classificatiecentrum in Frankfurt heeft laten classificeren omdat voor zijn functie geen standaardfunctiebeschrijving beschikbaar was.
Dat het werkelijke takenpakket van de werknemer structureel en in aanzienlijke mate afweek van de functieomschrijving die de basis is geweest voor deze classificatie heeft de werknemer onvoldoende onderbouwd.
Uitgegaan wordt van het door de werknemer verzochte bedrag van € 58.455,49 bruto als het door de VS verschuldigde bedrag aan transitievergoeding.
De werknemer heeft onvoldoende weersproken dat de VS van het verschuldigde bedrag al € 17.703,95 bruto aan transitievergoeding heeft betaald als onderdeel van de eindafrekening na uitdiensttreding waarbij aan de werknemer een bedrag van € 36.531 bruto is betaald. Het verzochte bedrag moet in elk geval met dit bedrag te worden verminderd. Voor een verdere vermindering bestaat geen aanleiding. Dit leidt ertoe dat aan transitievergoeding een bedrag toewijsbaar is van (€ 58.455,49 minus € 17.703,95 =) € 40.751,54 bruto.
Billijke vergoeding
Niet in geschil is dat de VS de arbeidsovereenkomst van de werknemer heeft opgezegd zonder schriftelijke instemming van de werknemer en zonder toestemming van het UWV.
Omdat de VS geen toestemming niet had, kan de werknemer aanspraak maken op een billijke vergoeding.
Het is aannemelijk dat als het UWV wel om toestemming was gevraagd, de VS deze toestemming zou hebben verkregen, waarna de arbeidsovereenkomst na 16 april 2024 rechtsgeldig had kunnen worden opgezegd.
Gelet op het arbeidsdeskundig rapport van 14 juni 2024 bij de WIA-beoordeling en de daarin beschreven nekklachten van de werknemer, waarin ook is genoemd dat terugkeer in het eigen werk niet bevorderlijk zou zijn geweest voor zijn gezondheid, wordt aangenomen dat het UWV zou hebben geoordeeld dat het niet te verwachten was dat de werknemer binnen 26 weken weer zijn eigen werk of aangepaste werkzaamheden bij de VS kon verrichten.
Geen loonaanspraak
Als de VS de formele UWV-procedure had doorlopen, zou dit echter niet hebben geleid tot een loonaanspraak van de werknemer. Hij was immers al meer dan twee arbeidsongeschikt en de loondoorbetalingsverplichting van de VS was geëindigd. De VS heeft dus weliswaar niet volgens de wet gehandeld, maar als hij dat wel had gedaan, zou dit voor de werknemer in financieel opzicht geen verschil hebben gemaakt.
De kantonrechter ziet daarom aanleiding om de billijke vergoeding vast te stellen op nihil.
Vorderingen loon(componenten) deels verjaard
Een vordering tot betaling van loon(componenten) verjaart na vijf jaar (artikel 3:307 en 3:308 BW). Deze termijn kan worden gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (artikel 3:317 lid 1 BW).
De werknemer voert aan dat hij de verjaring van zijn loon(componenten)vorderingen in 2019 en 2021 heeft gestuit. Volgens de werknemer heeft hij destijds tijdens gesprekken met de HR-manager en leidinggevende laten weten dat hij recht heeft op een salaris horend bij FSN-10 en op uitbetaling van toelagen en overuren.
Voor zover deze stelling juist is, kwalificeren deze gesprekken echter niet als stuitingshandelingen in de zin van artikel 3:317 lid 1 BW, nu dit artikel vereist dat de stuiting schriftelijk plaatsvindt.
Nu niet is gebleken dat de werknemer vóór 1 april 2025 – dat is de datum waarop de Nederlandstalige akte van de werknemer bij de rechtbank is binnengekomen – schriftelijk jegens de VS aanspraak heeft gemaakt op achterstallig(e) loon(componenten), zijn de hierop gerichte vorderingen over de periode vóór 1 april 2020 verjaard.
Klachtplicht geschonden t.a.v. overuren
Het beroep op de klachtplicht met betrekking tot het gevorderde achterstallige salaris faalt. Mede gelet op de stelling van de werknemer dat hij al vóór oktober 2021 heeft aangegeven recht te hebben op een salaris conform FSN-10, kan niet worden geconcludeerd dat de werknemer zijn klachtplicht ten aanzien van het gevorderde achterstallige salaris heeft geschonden. Dit ligt anders ten aanzien van de gevorderde overuren.
De werknemer verzoekt om uitbetaling van overuren die hij in de periode van 2018 tot 2021 zou hebben gewerkt. De VS heeft gemotiveerd uiteengezet dat de werknemer in die periode zijn overuren heeft gedeclareerd en dat de gedeclareerde overuren volledig zijn uitbetaald. De stelling van de VS dat de werknemer vervolgens nimmer heeft geklaagd dat de gedeclareerde overuren niet (volledig) zijn uitbetaald, is door de werknemer niet betwist.
Door pas bij akte van april 2025 – meer dan vier jaar na het laatste jaar waarover de werknemer betaling vraagt en meer dan zeven maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst – hierover te klagen, heeft de werknemer niet aan zijn klachtplicht voldaan. Nog los dat hij ook niet heeft onderbouwd dat hij meer overuren heeft gewerkt dan aan hem zijn uitbetaald, is deze vordering daarom in ieder geval niet toewijsbaar.
Uitspraak Rechtbank Den Haag, 16 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1975

