De werknemer was in dienst bij de werkgever en zijn arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is niet door de werkgever verlengd. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de werkgever een toezegging had gedaan de arbeidsovereenkomst te verlengen en dat de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door die toezegging niet na te komen. Van de in dat verband door de werknemer gevorderde billijke vergoeding van € 110.842,92 bruto is € 2.174,10 bruto toegewezen.
De bedoeling van het hoger beroep van de werknemer is dat de beschikking wordt vernietigd en alsnog aan hem een billijke vergoeding van € 110.842,92 bruto wordt toegekend waarbij alsnog rekening wordt gehouden met een verboden leeftijdsdiscriminatie.
Contract voor bepaalde tijd
De werkgever heeft op 11 december 2023 aan de werknemer een aanbod gedaan voor een dienstverband als senior jurist. In deze brief staat achter “soort contract” vermeldt: “Bepaalde tijd voor de duur van 12 maanden met een maand proeftijd. Bij goed functioneren en goede vooruitzichten voor de organisatie zal het contract na afloop worden omgezet naar een contract voor onbepaalde tijd.”
Op 18 december 2023 hebben partijen een arbeidsovereenkomst ondertekend. Namens de werkgever heeft de directeur, de arbeidsovereenkomst ondertekend. Deze overeenkomst is aangegaan voor de bepaalde duur van twaalf maanden, ingaande 1 januari 2024.
‘Positief in zin van verlenging’
Op 4 september 2024 hebben de werknemer en de directeur een voortgangsgesprek gevoerd. De werknemer heeft dit gesprek zonder medeweten van de directeur opgenomen.
Na ongeveer 50 minuten is het gesprek over de positie van de werknemer gegaan.
De directeur: “Ik ben positief in zin van verlenging he… blijf alsjeblieft (…)
Ik wil eigenlijk begin oktober gewoon uitsluitsel geven, van we gaan zo door, of we gaan zo door (…)
nou goed laten we begin oktober even kijken dat we de definitieve klap er op geven.”
Arbeidsovereenkomst niet verlengen
Op 28 oktober 2024 heeft de directeur, samen met de leidinggevende van de werknemer, met hem gesproken. Ook dit gesprek is zonder medeweten van de anderen door de werknemer opgenomen. In dit gesprek is de werknemer meegedeeld dat de directeur zijn arbeidsovereenkomst niet wil verlengen.
Redenen voor niet-verlenging
Van dit gesprek is een transcriptie gemaakt, waarin in reactie op de vraag van de werknemer naar de reden voor het niet verlengen van zijn arbeidsovereenkomst onder meer is vermeld:
De directeur: “(…) en nogmaals, aan motivatie en enthousiasme heeft het niet gelegen (…) We hebben het idee dat we gewoon met de zaken die wij hier hebben liggen, eh ja goed er niet genoeg doorkomen, en en als je als je nou bijvoorbeeld even kijkt naar [een collega] die doet abctjes die kun jij ook, eh eh maar ik kan 2 [collega’s] betalen, voor jou weet je dus voor jouw salaris is zo’n abctje gewoon te duur.”
De werknemer: “nee maar dan doe ik er desnoods meer, nou ga je qua omzet, he wat dat betreft, he dan kun je alleen maar zeggen, ja er is geen verlies.“
De directeur: “nee maar goed er is meer dan alleen maar een economisch belang.”
Aanspraak op verlenging arbeidsoverenkomst
Met een brief van 14 november 2024 heeft de werkgever aan de werknemer het eindigen van de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2025 aangezegd. De werknemer heeft via een door hem ingeschakelde rechtshulpverlener tegen deze aanzegging geprotesteerd en aanspraak gemaakt op verlenging van zijn arbeidsovereenkomst voor één jaar dan wel op een compensatie bestaande uit een jaarsalaris met bijkomende vergoedingen.
De werknemer is per 13 december 2024 vrijgesteld van zijn werkzaamheden.
De werknemer is per 16 mei 2025 elders in dienst getreden.
‘Ernstig verwijtbaar handelen werkgever’
De werknemer stelt dat het niet voorzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. Hij voert daartoe aan dat er geen reden was om niet te verlengen en dat de werkgever de door haar gedane toezeggingen in de brief van 11 december 2023 en tijdens het gesprek van 4 september 2024 om te verlengen niet is nagekomen. Hij heeft daar in hoger beroep aan toegevoegd dat het niet-verlengen van zijn arbeidsovereenkomst in verband staat met leeftijdsdiscriminatie, waartoe de werknemer zich beroept op een door de werkgever gedane uitspraak in het gesprek van 28 oktober 2024.
Geen sprake van ‘goed functioneren’
Anders dan de werknemer aanvoert, heeft de werkgever op 28 oktober 2024 in redelijkheid tot zijn oordeel kunnen komen dat van ‘goed functioneren’ in onvoldoende mate sprake was.
Uit de door de werknemer overgelegde transcriptie van het gesprek van 4 september 2024 blijkt voldoende dat de werkgever – in de persoon van de directeur – een aantal punten in zijn functioneren heeft benoemd waarover hij een andere verwachting had en dat hij daarin graag een verbetering/verandering wilde zien, met name op het punt van het minder gaan behandelen van standaardzaken (“de abc-tjes”) en het meer gaan behandelen van meer gecompliceerde zaken.
Te veel standaardzaken
In het vervolggesprek van 28 oktober 2024, zo blijkt uit de daarvan ook overgelegde transcriptie, is vervolgens de werknemer laten weten dat hij zich te veel met de standaardzaken is blijven bezighouden en te weinig de andere zaken heeft opgepakt en dat hij zich daarin te weinig ontwikkelde.
In essentie komt het erop neer dat de werknemer zich in de visie van de werkgever te veel bezig hield met voor hem als ervaren jurist te laag gekwalificeerd werk en hij geen of te weinig vooruitgang maakte in het (meer) gaan behandelen van volgens de werkgever ingewikkelder dossiers.
Nog geen besluit genomen
Het gesprek van 4 september 2024 was het eerste voortgangsgesprek over het functioneren van de werknemer. Uit het verloop van het gesprek kan niet de conclusie worden getrokken dat de directeur aan hem in dat gelegde verband wel heeft toegezegd hoe dan ook per 1 januari 2025 te verlengen, waarbij alleen nog de vraag was of dat voor een bepaalde tijd of onbepaalde tijd zou zijn.
Uit de transcriptie blijkt voldoende dat de directeur daarbij wat aarzelend en weifelend formuleert en herhaalde malen aangeeft nog geen besluit te hebben genomen. De andere daarbij gebruikte bewoordingen van de directeur van “ik ben positief in zin van verlenging he …. blijf alsjeblieft” maken dat niet anders.
Inzet op verbetering/ontwikkeling
Partijen hadden nog zo’n vier maanden te gaan tot het einde van de arbeidsovereenkomst en daarmee nog zo’n drie maanden voor het in artikel 7:668 lid 1 BW bedoelde aanzegmoment. Op dat moment zette de directeur voor de daarop volgende periode duidelijk in op een verbetering/ontwikkeling die de werknemer in zijn functioneren moesten laten zien, alvorens te beslissen. In dat verband is begrijpelijk dat de directeur ook positieve en aanmoedigende woorden sprak.
Geen onvoorwaardelijke toezegging
Gelet op een en ander mocht de werknemer aan de door hem aangewezen uitspraken van de directeur , die volgens hem onvoldoende duidelijk en ondubbelzinnig waren, niet opvatten als een onvoorwaardelijke toezegging tot verlenging van zijn arbeidsovereenkomst waarop de werkgever niet meer mocht terugkomen.
Dit betekent dat de werkgever met het op 28 oktober 2024 aan de werknemer kenbaar gemaakte besluit zijn arbeidsovereenkomst niet te verlengen niet is terugkomen op een (bindende) toezegging. Hieruit volgt dat het niet-verlengen van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen, zoals artikel 7:673 lid 9 BW wel vereist.
Verboden leeftijdsonderscheid?
Is niet niet verlengen van de arbeidsovereenkomst te kenmerken als een verboden leeftijdsonderscheid?
De werknemer heeft gewezen op de uitspraak van de directeur in het gesprek van 28 oktober 2024, te weten: “en als je als je nou bijvoorbeeld even kijkt naar een collega die doet abctjes die kun jij ook, eh eh maar ik kan 2 collega ’s betalen, voor jou weet je dus voor jouw salaris is zo’n abctje gewoon te duur”.
Volgens de werknemer is hiermee sprake van een verboden leeftijdsonderscheid omdat deze is gebaseerd op een verschil in overeengekomen brutoloon dat samenhangt met zijn leeftijd en dat van collega, een junior jurist. Het hof volgt de werknemer niet in diens betoog.
Hoger gekwalificeerd werk niet opgepakt
Het is voldoende duidelijk geworden dat de leeftijd en ook niet het loon van de werknemer voor de werkgever (mede) redengevend was om de arbeidsovereenkomst niet te verlengen maar de visie op zijn functioneren, waaronder begrepen het door hem onvoldoende oppakken van hoger gekwalificeerde werkzaamheden en het niet overlaten van “de abc-tjes” aan een minder ervaren jurist.
Er is geen verboden onderscheid. Daarom is er ook geen reden voor een op artikel 7:681 BW gebaseerde billijke vergoeding.
Uitspraak Hof Arnhem-Leeuwarden, 12 januari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:102

