De werkgever heeft aangevoerd dat de functie van de werknemer is komen te vervallen wegens bedrijfseconomische omstandigheden. Met de invoering van deze functie in 2021 werd beoogd efficiënter en sneller te werken door centralisatie van een aantal gemeenschappelijke werkzaamheden van de financial controllers.
De werknemer heeft aangevoerd dat zij steeds naar volle tevredenheid heeft gefunctioneerd. Verder stelt zij dat haar functie niet is vervallen, nu de werkzaamheden die zij verrichtte nog steeds binnen de organisatie worden uitgevoerd.
Functie geen toegevoegde waarde
De kantonrechter oordeelt dat de werkgever voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de functie van de werknemer bedrijfseconomisch geen toegevoegde waarde (meer) had. Uit de toelichting van de werkgever volgt dat de introductie van de functie niet heeft geleid tot de beoogde werkverlichting, maar juist tot extra afstemming, vertraging en dubbel werk.
De werkgever heeft in redelijkheid mogen besluiten de werkzaamheden anders te organiseren en de functie te laten vervallen. Dat bepaalde werkzaamheden blijven bestaan, betekent niet dat de functie als zodanig is blijven bestaan, nu deze structureel zijn herverdeeld over andere functies.
De stelling van de werknemer dat geen sprake is van een unieke functie is, tegenover het gemotiveerde standpunt van de werkgever, onvoldoende onderbouwd.
Werkgever mocht functie laten vervallen
De werkgever heeft aan de hand van de functieomschrijving inzichtelijk gemaakt welke werkzaamheden tot de functie van de werknemer behoorden en dat deze niet overeenkomen met andere functies binnen de organisatie.
De werkgever heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de functie van de werknemer geen toegevoegde waarde (meer) heeft en dat het vervallen van deze functie bedrijfseconomisch noodzakelijk is.
Herplaatsingsverplichting
De kantonrechter stelt voorop dat de herplaatsingsverplichting van de werkgever een inspanningsverplichting betreft. Daarbij geldt dat herplaatsing een gezamenlijke verantwoordelijkheid is, waarbij van zowel werkgever als werknemer een actieve en constructieve houding mag worden verwacht.
Zorgvuldig en inzichtelijk
De kantonrechter oordeelt dat het herplaatsingsonderzoek voldoende zorgvuldig en inzichtelijk is uitgevoerd. De werkgever heeft hiermee concreet en navolgbaar inzicht gegeven in de beschikbare functies en de redenen waarom deze niet passend zijn voor de werknemer.
Als de werknemer van oordeel is dat er wel passende functies voorhanden zijn, had het op haar weg gelegen om dit concreet te maken door aan te geven om welke functies het zou gaan. Dat heeft de werknemer nagelaten.
De werkgever heeft voldoende heeft aangetoond dat hij aan zijn herplaatsingsverplichtingen heeft voldaan, aldus de kantonrechter.
De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst met de werknemer wordt ontbonden. Het einde van de arbeidsovereenkomst is 1 maart 2026.
Transitievergoeding
Partijen zijn het erover eens dat de werknemer recht heeft op een transitievergoeding, maar verschillen van mening over de hoogte. Het geschilpunt betreft de bonus.
De werknemer rekent met een gemiddelde bonus van € 500 bruto per maand, terwijl de werkgever uitgaat van € 138,89 bruto per maand.
Gemiddelde bonus over drie kalenderjaren
Volgens artikel 3 lid 1 sub c van het Besluit loonbegrip en transitievergoeding moet bij de berekening van de transitievergoeding worden gekeken naar de gemiddelde bonus over de drie kalenderjaren voorafgaand aan het einde van het dienstverband.
Vaststaat dat de werknemer in die periode alleen in 2023 een bonus van € 5.000 bruto heeft ontvangen. Voor 2024 en 2025 is geen bonus toegekend. Het gemiddelde over de drie jaar is daarmee inderdaad € 138,89 bruto per maand, zoals door de werkgever is berekend. Bij de berekening van de transitievergoeding wordt dan ook uitgegaan van dit bedrag.
Uitgaande van een dienstverband van vier jaar, zes maanden en 13 dagen en een bruto maandsalaris van € 5.138,89, bedraagt de transitievergoeding € 8.409,41 bruto. Dat moet de werkgever betalen.
Uitbetaling opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen
De werknemer heeft verzocht dat haar een correcte eindafrekening wordt verstrekt, waaronder de uitbetaling van 89 opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen.
De werkgever heeft tegen dit verzoek geen gemotiveerd verweer gevoerd. Aan het op de zitting gedane aanbod om alsnog stukken hiervan in te brengen wordt voorbijgegaan. Het lag op de weg van de werkgever om in een eerder stadium de relevante stukken, bijvoorbeeld een verlofregistratie of andere administratieve gegevens, in het geding te brengen. Dat heeft de werkgever niet gedaan. Dit komt voor zijn rekening en risico.
De kantonrechter wijst het verzoek van de werknemer toe. De werkgever moet het netto-equivalent van 89 opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen betalen, te berekenen op basis van het laatstgenoten loon.
Geen billijke vergoeding
De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan de werknemer een billijke vergoeding toe te kennen.
De ontbinding van de arbeidsovereenkomst is gebaseerd op een redelijke grond, te weten bedrijfseconomische omstandigheden, en er zijn geen feiten of omstandigheden komen vast te staan waaruit ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever volgt.
Uitspraak Rechtbank Noord-Holland, 12 januari 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:153

