In deze zaak vordert de werknemer achterstallig loon, vakantietoeslag, opgebouwde maar niet-genoten vakantiedagen en de transitievergoeding.
Wat vordert werknemer precies?
De werknemer heeft in de procedure van 8 augustus 2025 gevorderd om de werkgever te veroordelen tot betaling van achterstallige loon over de periode van december 2024 tot aan de einddatum van zijn dienstverband bij de werkgever en het vakantietoeslag over de periode van juni 2023 tot juni 2025.
Daarnaast heeft de werknemer gevorderd om de werkgever te veroordelen tot uitbetaling van de vakantiedagen over de periode van juni 2024 tot 17 augustus 2025 en tot betaling van de transitievergoeding, met de wettelijke rente en wettelijke verhoging over al deze bedragen.
Vakantietoeslag
De werkgever is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag welke betalingen hij aan de werknemer heeft verricht ten aanzien van de vakantietoeslag over de periode van juni 2023 tot en met mei 2024.
In verband daarmee zijn betalingsbewijzen overgelegd, waaruit volgt dat 10 termijnen van € 137,29 aan de werknemer zijn betaald. De werknemer heeft de ontvangst van die betalingen bevestigd en heeft zijn vordering op dit punt verminderd tot een bedrag van € 549,16 bruto. Dat bedrag is daarom toewijsbaar.
Slechts recht op 70% loon
De werkgever heeft aangevoerd dat in het vonnis van 8 augustus 2025 het toe te wijzen bedrag aan vakantietoeslag te hoog is vastgesteld, omdat deze ten onrechte is berekend over 100% van het loon van de werknemer. Hierin heeft de werkgever gelijk.
Vast staat dat de werknemer met ingang vanaf het tweede ziektejaar, dus vanaf de maand december 2024 slechts recht heeft op 70% van het loon. Dit betekent dat de vakantietoeslag vanaf december 2024 berekend moet worden over 70% van het loon in plaats van 100%.
De werknemer heeft over de maanden juni tot en met november 2024 recht op een bedrag van € 1.174,29 bruto aan vakantietoeslag ((6 x € 2.446,44) x 8%) en over de maanden december 2024 tot en met mei 2025 een bedrag van € 822 bruto ((6 x 70% van € 2.446,44) x 8%).
In totaal heeft de werknemer over de periode van juni 2024 tot en met mei 2025 dus recht op € 1.996,29 bruto (€ 1.174,29 + € 822) aan vakantietoeslag.
Compensatie transitievergoeding
Op 8 augustus 2025 is al geoordeeld dat de werkgever een transitievergoeding van € 16.097,58 bruto aan de werknemer is verschuldigd. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen afgesproken dat de procedure enige tijd zou worden aangehouden zodat de werkgever met hulp van de gemachtigde van de werknemer, een aanvraag voor compensatie van de transitievergoeding door UWV (artikel 7:673e BW) kon indienen.
Naar aanleiding daarvan heeft de werknemer laten weten dat zijn gemachtigde contact heeft opgenomen met UWV en dat UWV daarbij heeft laten weten dat compensatie van de verschuldigde transitievergoeding in dit geval niet mogelijk is.
Nog geen 104 weken arbeidsongeschikt
UWV heeft dat gemotiveerd door er onder meer op te wijzen dat de werknemer op de datum van het einde van de arbeidsovereenkomst nog geen 104 aaneengesloten weken arbeidsongeschikt was en dat compensatie daarnaast slechts kan worden aangevraagd als de transitievergoeding eerst door de werkgever aan de werknemer is betaald. Dat is niet het geval.
Transitievergoeding verschuldigd
Dat de werkgever niet in aanmerking komt voor de compensatieregeling inzake de transitievergoeding doet niets af aan het feit dat hij de transitievergoeding wel aan de werknemer verschuldigd is.
Het feit dat sprake is van betalingsonmacht aan de kant van de werkgever ontslaat hem niet van de betalingsverplichting. De werkgever wordt dan ook veroordeeld de transitievergoeding van € 16.097,58 bruto aan de werknemer te betalen.
70% loon betalen
Zoals al in het vonnis van 8 augustus 2025 is geoordeeld, moet de werkgever 70% van het loon over de periode van 1 maart 2025 tot en met 19 mei 2025 aan de werknemer betalen. Dit betekent dat de werknemer over de maanden maart en april 2025 recht heeft op een bedrag van € 3.425,02 bruto (2 x 70% van € 2.446,44) en over de periode van 1 mei 2025 tot en met 19 mei 2025 op een bedrag van € 1.049,60 bruto (19/31 x 70% van € 2.446,44).
De werkgever wordt dan ook veroordeeld een totaalbedrag van € 4.474,62 bruto (€ 3.425,02 + € 1.049,60) aan de werknemer te betalen wat betreft het loon over de hiervoor genoemde periode.
Opgebouwde maar niet-genoten vakantiedagen
In het vonnis van 8 augustus 2025 is ook al geoordeeld dat de werknemer ten aanzien van de door hem opgebouwde, maar niet genoten vakantiedagen over de periode van juni 2024 tot en met mei 2025 recht heeft op uitbetaling van een bedrag van € 2.249,60 bruto en over de periode van 1 juni 2025 tot 17 augustus 2025 van een bedrag van € 449,92 bruto.
Opbouw vakantiedagen tijdens ziekte loopt door
De kantonrechter volgt de werkgever niet in de stelling dat de werknemer over de laatstgenoemde periode geen recht heeft op uitbetaling van vakantiedagen, omdat hij toen al een Ziektewetuitkering ontving. De opbouw van vakantiedagen loopt namelijk – ongeacht de arbeidsongeschiktheid van de werknemer – tijdens ziekte gedurende 104 weken door tot aan het einde van de arbeidsovereenkomst per 17 augustus 2025.
De omstandigheid dat per 20 mei 2025 de bedrijfsactiviteiten zijn gestaakt, maakt dat niet anders en moet in dit verband voor rekening van de werkgever blijven.
De werkgever wordt veroordeeld een totaalbedrag van € 2.699,52 bruto (€ 2.249,60 + € 449,92) aan opgebouwde, niet genoten vakantiedagen aan de werknemer te betalen.
Wettelijke verhoging en rente
De werkgever moet de wettelijke verhoging over het achterstallige loon over de periode 1 maart 2025 tot en met 19 mei 2025, de vakantietoeslag en de opgebouwde, niet genoten vakantiedagen betalen, omdat die bedragen niet op tijd zijn voldaan.
Gezien de slechte financiële situatie van de werkgever en het feit dat de werkgever sinds 20 mei 2025 de activiteiten heeft beëindigd is volgens de kantonrechter voldoende duidelijk dat er niet zozeer sprake is van betalingsonwil, maar eerder van betalingsonmacht. Onder die omstandigheden bestaat er aanleiding om de gevorderde wettelijke verhoging te matigen tot 10%.
Ook de wettelijke rente over de achterstallige bedragen wordt toegewezen.
Betalingsregeling
De werkgever heeft laten weten dat hij slechts aan de betalingsverplichtingen kan voldoen door middel van een betalingsregeling. De kantonrechter kan echter geen betalingsregeling opnemen in deze beschikking. Daarvoor is namelijk instemming van de werknemer nodig (artikel 6:29 BW) en die ontbreekt vooralsnog.
Het staat de werkgever uiteraard vrij contact op te nemen met de gemachtigde van de werknemer om te bekijken of de werknemer alsnog een betalingsregeling wil afspreken.
Uitspraak Rechtbank Rotterdam, 21 november 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:14959

