De inkomsten die uit de zorgovereenkomst zijn verkregen zijn daarom terecht buiten het dagloon gebleven. De man krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond.
Dagloon in kader van WIA
Deze uitspraak gaat over de vraag of het dagloon van de man in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) op de juiste wijze is vastgesteld. De man is het niet eens met de wijze waarop UWV dit heeft vastgesteld. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
Waar gaat deze zaak over?
De man heeft een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de WIA. UWV heeft deze aanvraag bij besluit van 9 juli 2024 (primair besluit I) ingewilligd. Bij dit besluit is de man met ingang van 6 juni 2024 in aanmerking gebracht voor een Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA). Zijn uitkering is hierbij vastgesteld op € 2.009,77 bruto per maand.
De man heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt waarbij hij gesteld heeft dat het maandloon te laag is vastgesteld, omdat zijn inkomsten uit werkzaamheden voor zijn kinderen (kind 1 en kind 2) niet bij de beoordeling zijn betrokken.
Ook heeft de man een correctieverzoek ingesteld tegen de hoogte van zijn uitkering. Bij besluit van 19 juli 2024 (primair besluit II) heeft UWV dit verzoek afgewezen. UWV stelt zich op het standpunt dat uit onderzoek is gebleken dat de man over de periode 9 september 2019 tot en met 31 december 2023 voor zijn werkzaamheden (zorg) voor zijn kinderen, niet verplicht verzekerd was op grond van artikel 3 van de Ziektewet (ZW), Werkloosheidswet (WW) en artikel 8 van de WIA. De man heeft ook tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Maar dit blijkt tevergeefs. Hij stapt naar de rechter.
Gezagsverhouding?
Het geschil spitst zich toe op de vraag of sprake is van een dienstbetrekking en in het bijzonder of er een gezagsverhouding bestaat tussen de man en zijn partner (in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de kinderen) in het kader van de werkzaamheden die hij heeft verricht op grond van de zorgovereenkomst. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van de man.
Zorgovereenkomsten
De man heeft twee door hem en zijn partner ondertekende “zorgovereenkomsten met een partner of familielid” overgelegd.
Overeenkomst met kind 1
In de overeenkomst met kind 1 is ingevuld dat de werkzaamheden van de man bestaan uit individuele begeleiding vanaf 10 september 2019 tot en met 3 juli 2023 voor een variabel aantal uren, tegen vergoeding van € 19,80 bruto per uur. Verder is in de zorgovereenkomst aangegeven dat door middel van opting-in de salarisadministratie is uitbesteed aan de SVB.
Overeenkomst van opdracht
Pagina 5 vermeldt dat de zorgovereenkomst een overeenkomst is zoals bedoeld in artikel 7:400 Burgerlijk Wetboek. Op pagina 6 van de zorgovereenkomst staat onder de kop “Wat u verder nog afspreekt” onder andere dat budgethouder en de zorgverlener de zorgovereenkomst tussentijds mogen opzeggen. Er geldt een opzegtermijn van een maand. Maar in goed overleg kan de zorgovereenkomst ook zonder opzegtermijn worden beëindigd.
De opdrachtnemer mag de overeenkomst alleen opzeggen als daarvoor dringende redenen zijn zoals deze in het Burgerlijk Wetboek staan. Dan geldt ook een opzegtermijn van een maand. In goed overleg kan een andere opzegtermijn worden afgesproken.
Overeenkomst met kind 2
In de overeenkomst voor bepaalde tijd met kind 2 is ingevuld dat de werkzaamheden van de man bestaan uit persoonlijke verzorging en begeleiding vanaf 30 september 2019 tot en met 30 september 2020 voor 9,47 uren per week, tegen vergoeding van € 465 bruto per maand. Verder is in de zorgovereenkomst aangegeven dat door middel van opting-in de salarisadministratie is uitbesteed aan de SVB. Pagina 5 en 6 van de zorgovereenkomst bevatten dezelfde informatie als zorgovereenkomst 1.
Geen afspraken over werktijden, overuren, ziekteverzuim en vakantiedagen
In de zorgovereenkomsten zijn geen schriftelijk afspraken opgenomen over werktijden, overuren, ziekteverzuim, en vakantiedagen. Desgevraagd heeft de partner ter zitting toegelicht dat als de man ziek was, of verhinderd, zij zijn werkzaamheden dan overnam vanuit haar taak als moeder van de kinderen. Daarbuiten was het voor de man moeilijk om vrij te nemen, omdat hij dan als vader toch de zorgtaken moest uitvoeren. Soms ging men als gezin wel op vakantie, en dan namen de man en zijn partner beurtelings of samen de zorgtaken waar. Vaak was de deur uitgaan al een probleem.
Geen gezagsverhouding
Uit de ter zitting afgelegde verklaringen en de zorgovereenkomsten blijkt volgens de rechtbank niet dat sprake is van een gezagsverhouding tussen de man en zijn partner. Met name dat geen afspraken zijn gemaakt over die onderwerpen acht de rechtbank hierbij relevant.
In de praktijk was het voor de man niet goed mogelijk om verlof op te nemen. Hij moest ofwel in zijn rol als zorgverlener ofwel in zijn rol als vader de zorgtaken uitvoeren, tenzij er in overleg met zijn partner werd afgesproken dat zij zou vrij nemen van haar werk om de zorgtaken in haar rol als moeder op zich te nemen.
Er was geen sprake van (vaste) werktijden. Hierdoor liepen de rol van de man als vader en zijn rol als zorgverlener door elkaar. De omstandigheden waaronder de man de zorgtaken verrichtte zijn daarmee niet vergelijkbaar met de omstandigheden waaronder een professionele zorgverlener zijn werkzaamheden zou hebben verricht.
Geen arbeidsovereenkomst
Daarnaast acht de rechtbank van belang dat in de zorgovereenkomst zelf is opgenomen dat deze valt te karakteriseren als een overeenkomst is zoals bedoeld in artikel 7:400 Burgerlijk Wetboek en dus niet als arbeidsovereenkomst. De in de zorgovereenkomst opgenomen bepalingen over de mogelijkheid van opzegging, wijken evenzeer af van wat er in arbeidsovereenkomsten geldt.
Opting-in is standaardoptie
Het betoog van de man dat de opting-in een belangrijk element is voor de beoordeling volgt de rechtbank niet. In het standaard formulier voor de zorgovereenkomst, zoals door de man gebruikt, wordt dit als standaardoptie geboden. Het strekt ook niet verder dan het uitbesteden van de salarisadministratie aan de SVB.
Geen privaatrechtelijke dienstbetrekking
De rechtbank oordeelt dat de man de werkzaamheden niet heeft verricht in een privaatrechtelijke dienstbetrekking, omdat een gezagsverhouding ontbreekt.
Zo’n arbeidsrechtelijke gezagsverhouding, met de man in een ondergeschikte positie ten opzichte van zijn kinderen en hun moeder als hun wettelijke vertegenwoordiger, is ook moeilijk voor te stellen, gegeven het feit dat de man gelijktijdig gezaghebbende ouder is van zijn kinderen en hij tevens een gelijkwaardige positie heeft als zijn partner in de uitoefening van het gezamenlijke ouderlijk gezag. de man heeft niet aannemelijk weten te maken dat zo’n gezagsverhouding er in dit concrete geval niettemin toch was. UWV heeft de inkomsten afkomstig uit het pgb dan ook terecht niet bij het dagloon betrokken. De beroep zijn daarom ongegrond.
De rechtbank begrijpt dat dit niet is wat de man en zijn partner mogelijk hebben beoogd bij het opstellen van de zorgovereenkomsten toen de man minder is gaan werken. Nu de man ziek is uitgevallen heeft dit behoorlijk financiële gevolgen voor hun gezin. Maar dat de man en zijn partner in overleg met de gemeente een vorm hebben gevonden, waarin het voor de gemeente aanvaardbaar was om een pgb te verlenen, wil nog niet zeggen dat die vorm juridisch ook als een privaatrechtelijk dienstbetrekking kan worden opgevat.
Uitspraak Rechtbank Overijssel, 2 september 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:5401

