De werknemer heeft tot de datum van uitdiensttreding recht op loon en een financiële eindafrekening van het dienstverband.
Waar gaat deze zaak over?
De bv levert aan opdrachtgevers (onder meer) schoonmaakpersoneel. Onder haar opdrachtgevers is een bouwonderneming voor de projectlocatie, waar de bv werknemers zowel op zzp-basis als op arbeidsovereenkomst werkzaamheden laat verrichten. Zowel de werknemers als de zzp-ers van de bv worden verloond via een payroll en administratiebedrijf. Het payroll en administratiebedrijf betaalt de door de bv opgegeven uren zonder nadere controle uit aan de werknemers. In de arbeidsovereenkomsten is het payroll en administratiebedrijf steeds vermeld als formele werkgever.
In dienst getreden
In 2024 heeft de vrouw voor de bv op zzp-basis gewerkt. Zij is op 6 januari 2025 bij de bv in dienst getreden als “keetdame”. Het brutosalaris bedraagt € 4.002,37 per maand (overeenkomend met ongeveer € 3.000 netto). Het betreft een arbeidsovereenkomst voor de bepaalde tijd van (bijna) één jaar, eindigend op 2 januari 2026.
Ook administratieve werkzaamheden
Binnen de arbeidsovereenkomst verrichtte de vrouw naast (4 uur) receptiewerkzaamheden ten behoeve van de bv bij de bouwonderneming, ook (4 uur) administratieve werkzaamheden voor de bv. Daarin verwerkte zij de overeenkomsten met nieuwe medewerkers van de bv en de voor de bv gewerkte uren administratief in de salarisadministratie van het payroll en administratiebedrijf. De vrouw kon daartoe in de administratie van het payroll en administratiebedrijf inloggen.
Nieuwe werknemer ingevoerd
Op een gegeven moment is een nieuwe werknemer in de administratie ingevoerd. De vrouw heeft als enige uren van de man in de administratie van het payroll en administratiebedrijf verwerkt en geautoriseerd; collega’s van de vrouw hebben dat nooit gedaan. Door het payroll en administratiebedrijf zijn de bijbehorende loonbetalingen aan de man verricht.
De man is geen bestaande werknemer van de bv, ook geen zzp-er. Hij heeft nooit werkzaamheden voor de bv verricht. de man woont in Suriname. Het ten onrechte ontvangen loon heeft de man inmiddels (deels) aan de bv terugbetaald.
Op non-actief gezet
De bv heeft de vrouw op 2 juni 2025 in een gesprek op non-actief gezet. Zij is daarbij afgesloten van de interne systemen. Bij brief van 4 juni 2025 heeft de vrouw daartegen geprotesteerd. Op 24 juni 2025 heeft de bv de vrouw bericht dat de non-activiteit werd verlengd tot 30 juni 2025, onder opgave van redenen, daaronder een lopend intern onderzoek naar de uren en werkzaamheden van de man.
Op staande voet ontslagen
Op 29 juni 2025 is de vrouw per e-mail op staande voet ontslagen. Als redenen noemt de ontslagbrief: fraude en/of diefstal (het creëren van niet-legitieme contract(en), vertrouwensbreuk (ernstige schending van integriteit), structureel disfunctioneren (niet naleven van werktijden, structureel te laat komen, nalatigheid in taken), wanprestatie (het pretenderen van werkzaamheden die niet of nauwelijks zijn uitgevoerd), klantverstoring (het beschadigen van de relatie met een belangrijke opdrachtgever).
De brief vermeldt dat de vrouw door het ontslag op staande voet geen recht heeft op de transitievergoeding, geen recht op doorbetaling van loon, noch op een opzegtermijn.
Vorderingen werknemer
De vrouw berust inmiddels in het einde van het dienstverband en vordert onder meer loon over de periode 2 juni tot en met 29 juni 2025 met de wettelijke verhoging van 50%, de transitievergoeding, de gefixeerde vergoeding, een billijke vergoeding.
Recht op loon
Vaststaat tussen partijen dat het dienstverband van de vrouw – met het payroll en administratiebedrijf als formele en de bv als materiële werkgever – per 29 juni 2025 is geëindigd. Daarmee heeft de vrouw tot die datum recht op loon en een financiële eindafrekening van het dienstverband. Als de vrouw ten onrechte ontslag op staande voet heeft gekregen heeft zij verder recht op een aantal vergoedingen.
Dringende reden
Geoordeeld wordt dat als komt vast te staan dat de vrouw de man als medewerker van de bv heeft geregistreerd en uren voor uitbetaling heeft geaccordeerd, wetende dat hij geen werkzaamheden voor de bv verrichtte, er sprake is (kan zijn) van een dringende reden. De door de bv aangedragen bewijzen gaan wel in die richting. Om echter met voldoende zekerheid te kunnen beoordelen of dat zo is, is nader onderzoek naar de handelwijze van de vrouw nodig en daar leent dit kort geding zich niet voor.
Onverwijldheid?
Of de bv met voldoende voortvarendheid het onderzoek naar de handelwijze van de vrouw in dit verband heeft verricht en naar de uitslag daarvan heeft gehandeld, is ook niet zeker. De aangedragen stellingen wijzen niet in die richting, maar ook daar is nader onderzoek voor nodig. Voor dat nadere onderzoek leent dit kort geding zich niet. Ook hier kan men dus niet met voldoende zekerheid vast stellen dat de bv wel of niet aan de vereisten van onverwijldheid heeft voldaan.
Loon betalen
Dit brengt mee dat vooralsnog alleen voldoende vast staat dat de vrouw tot 29 juni 2025 in dienst van de bv is geweest en dus tot die datum recht heeft op loon. Haar vordering is toewijsbaar. De overige vorderingen van de vrouw worden afgewezen.
De bv moet aan de vrouw het bedrag van € 3.085,72 netto betalen, zijnde het loon over de periode van 2 juni 2025 tot en met 29 juni 2025.
Uitspraak Rechtbank Amsterdam, 28 augustus 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:6555

