De werkgever heeft niet voldaan aan de verplichting om de werknemer (tijdig) te informeren over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. De e-mail waarnaar de werkgever verwijst kan namelijk niet worden aangemerkt als een aanzegging. De werkgever moet daarom een aanzegvergoeding betalen. Ook moet de werkgever achterstallig loon aan de werknemer betalen en specificaties van de overuren en vakantie-uren verstrekken.
Aanzegverplichting
De werkgever had de wettelijke verplichting om de werknemer schriftelijk – uiterlijk een maand voordat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigde – te informeren over het al dan niet voortzetten van die arbeidsovereenkomst. De werkgever stelt zich op het standpunt dat hij dat heeft gedaan met de e-mail van 6 februari 2025 om 15:28 uur.
Mail van werkgever
In deze e-mail schrijft de werkgever: “Graag wil ik met jou in gesprek over de mogelijkheden dat jij je beter meldt en wij je voor de rest van de periode vrijstellen van werkzaamheden. Dan heb jij ook geen verplichtingen meer naar ons. Een evaluatiegesprek met de bedrijfsarts is niet nodig aangezien dit dan wederom tot een second opinion leidt. (…) In ieder geval wil ik je aanstaande maandag op gesprek ontvangen om 16.00 uur. Dit is helaas nu wel de zoveelste poging dus ik verwacht je wel. Dan kunnen we, welke keuze je ook wenst te maken, zaken bespreken richting afronding.”
Reactie, geen aanzegging
Voorafgaand aan deze e-mail corresponderen partijen over een verslag van de bedrijfsarts en een second opinion en het plannen van een gesprek om daarover afspraken te maken. De hiervoor geciteerde e-mail van 6 februari is daar een reactie op en kan niet worden aangemerkt als een aanzegging dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden verlengd. De e-mail is te vaag over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst door de werkgever.
Aanzegvergoeding
De werkgever is dus de schriftelijke aanzegverplichting niet nagekomen en is aan de werknemer een vergoeding verschuldigd, gelijk aan één maand loon.
De werknemer stelt dat het maandloon € 1.827 bruto is. Dat is de hoogte van het brutoloon dat de werkgever aan de werknemer heeft doorgegeven. De werknemer stelt echter ook dat het maandloon volgens de cao en de doorberekening van FNV € 1.843,11 bruto is. Er wordt uitgegaan van de juistheid van de bruto loondoorberekening. Daarom gaat de kantonrechter van dat laatste bedrag uit.
Omdat de werknemer dit cao-loon mede aan de verzoeken ten grondslag legt en een hogere aanzegvergoeding vordert dan toewijsbaar is, kan dat laatste bedrag als minder dan gevorderd – op basis van het navolgende – worden toegewezen.
Maandloon van € 1.843,11
De werknemer heeft het loon vermeerderd met de vakantietoeslag en eindejaarsuitkering. Bij de berekening van de aanzegvergoeding (anders dan bij de transitievergoeding) wordt echter geen rekening gehouden met andere loonelementen, zoals de vakantietoeslag en eindejaarsuitkering. De werkgever wordt alleen veroordeeld tot het maandloon van € 1.843,11 bruto exclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering.
Specificatie vakantie-uren en overuren
Vastgesteld kan worden dat de werkgever inmiddels € 2.764,70 heeft overgemaakt naar de werknemer met als omschrijving eindafrekening verlof/vakantiegeld/ eindejaarsuitkering.
De werkgever heeft tijdens de zitting verklaard dat sprake was van een verlofsaldo van 75 uur, maar heeft dit niet onderbouwd met stukken.
Volgens de werkgever heeft de werknemer zelf toegang tot het personeelsportaal, maar de werknemer betwist dat en het saldo is verder niet onderbouwd door de werkgever. Terwijl de werkgever de administratie daarover moet bijhouden. Verder staat als niet betwist vast dat de werkgever geen overzicht aan de werknemer heeft verstrekt van de overuren van de werknemer in 2023 en 2024.
De werkgever wordt daarom veroordeeld tot het verstrekken van een overzicht van de opgebouwde en opgenomen vakantie-uren en de gemaakte overuren in 2023 en 2024, zoals verzocht. De verzochte dwangsom voor het geval de werkgever niet aan deze veroordeling voldoet, wordt toegewezen vanaf zeven dagen na betekening van de beschikking. De hoogte wordt gematigd.
Terzijde merkt de kantonrechter op dat de werkgever tijdens de zitting heeft gesteld dat hij in 2025 vier vakantieweken heeft afgeboekt waarna een saldo van 75 uren resteerde, dat hij zich nu realiseert dat ze tijdens ziekte van de werknemer vier weken vakantieverlof zonder instemming van de werknemer heeft ingehouden en dat dit niet correct is.
Uitspraak Rechtbank Noord-Holland, 23 juli 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:8808

