Loonvordering. Arbeidsovereenkomst administratief werk met net gestart zorgbedrijf voor 40 uur per week tegen fors uurloon. De kantonrechter oordeelt dat onvoldoende aannemelijk is dat de vrouw heeft gewerkt volgens de arbeidsovereenkomst en wijst de vorderingen af.
Waar gaat deze zaak over?
Een bv is in januari 2024 opgericht door persoon A, B en D met als doel het verlenen van 24-uurs zorg en begeleiding aan jongeren. De werknemer was de vriendin van D, tot eind december 2024. Zij heeft in maart 2025 van hem een kind gekregen.
Persoon A en B zijn de huidige bestuurders van de bv.
Arbeidsovereenkomst?
De vrouw vordert van de bv betaling van loon over de periode van datum indiensttreding, 1 december 2024, tot en met mei 2025, € 33.600 bruto, en een wettelijke verhoging hierover van 50%, € 16.800 bruto, in totaal € 50.400 bruto. Daarnaast vordert de werknemer afgifte van haar personeelsdossier en wedertewerkstelling in haar eigen functie, met oplegging van een dwangsom.
De vrouw baseert haar vordering op een schriftelijke arbeidsovereenkomst die ondertekend is door haar en persoon D, ergens rond 1 december 2024.
Volgens de bv is de arbeidsovereenkomst helemaal niet opgesteld en ondertekend in december 2024, maar is dat gebeurd in februari/maart 2025 toen de aandeelhouders een conflict kregen over de wijze waarop de bv moest worden gerund en ieders bijdrage daaraan. In die periode hebben persoon D en de vrouw volgens de bv ook identiteitsfraude gepleegd door nieuwe e-mailadressen aan te maken en vandaaruit te corresponderen met potentiële nieuwe opdrachtgevers. Persoon A heeft in maart 2025 aangifte bij de politie gedaan. Persoon D is in maart 2025 in de aandeelhoudersvergadering van de bv ontslagen als statutair bestuurder.
De bv verzoekt de vorderingen af te wijzen en betwist dat tussen haar en de vrouw een arbeidsverhouding heeft bestaan. Afgifte van het personeelsdossier en wedertewerkstelling is daarom niet mogelijk.
Beeld past niet bij inhoud arbeidsovereenkomst
Uit de informatie die de vrouw op vragen van de kantonrechter heeft verstrekt kan de kantonrechter niet opmaken dat het hier gaat om een arbeidsovereenkomst die past binnen een deugdelijke bedrijfsvoering binnen de jeugdzorg, waarbij met respect met publieke middelen wordt omgesprongen.
Uit die informatie volgt namelijk het volgende beeld. De vrouw is op verzoek van een eigenaar een aantal keren mee geweest naar bezoeken bij potentiële klanten om daar, zo begrijpt de kantonrechter, een betrouwbare indruk te wekken. De werknemer had geen specifieke rol bij die gesprekken.
De vrouw heeft op verzoek van een eigenaar een aantal keren een e-mail gestuurd naar potentiële opdrachtgevers, maar zij had geen inzicht en overzicht van de context waarin die mailtjes werden gestuurd blijkt nergens uit.
De vrouw heeft op verzoek van persoon A een keer bonnetjes opgehaald op het kantoor van de bv. Ze heeft geen idee wat er met die bonnetjes moest gebeuren, maar heeft ze op verzoek van A in een mapje gedaan zodat die gebruikt zouden kunnen worden voor de Belastingdienst. Het gaat kennelijk om kosten die de aandeelhouders wilden kunnen aftrekken van verschuldigde belasting.
De vrouw heeft op een aantal dagen veel geappt met persoon A. Daaruit valt af te leiden dat A de werknemer op bepaalde momenten (voor 1 december 2024, tussen 9 en 12 december 2024 en op 27 januari 2025) en incidenteel inschakelde voor wat hand- en spandiensten.
Dit beeld past niet bij de inhoud van de arbeidsovereenkomst. Daarin staat namelijk dat de vrouw 40 uur per week tegen een fors uurtarief (€ 35,00 bruto) administratief werk zou verrichten. Als iemand zoveel uur werkt tegen dit salaris mag je verwachten dat iemand de ins en outs van het bedrijf kent, een deugdelijke administratie voert en de werkzaamheden die worden verricht een bate opleveren die uiteindelijk de jeugdzorg ten goede komen in die zin dat alles goed voorbereid en georganiseerd is.
Uit de manier waarop de jeugdzorg werd verleend aan de enige klant die de bv had op het moment dat de arbeidsovereenkomst volgens de werknemer is gesloten, kan niet worden afgeleid dat dit dankzij de werknemer het geval was. De kantonrechter kan bovendien nergens uit opmaken dat de vrouw vanaf 1 december 2024 daadwerkelijk 40 uur per week heeft gewerkt.
Onvrede
De kantonrechter acht daarnaast vooralsnog niet onaannemelijk dat de arbeidsovereenkomst verband houdt met onvrede die in de loop der tijd tussen de aandeelhouders is ontstaan. Die onvrede heeft er namelijk kennelijk ook toe geleid dat de vrouw op 10 en 12 februari 2025 via een zakelijk en privé mailadres emailcontact heeft gehad met een medewerker van een voogdij-organisatie, terwijl die e-mailadressen volgens de bv niet van de bv zijn en niet eerder door de werknemer voor zakelijke contacten met potentiële opdrachtgevers werden gebruikt.
De conclusie is dat het naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter onvoldoende aannemelijk is dat de vrouw vanaf december 2024 tot en met mei 2025 op basis van een arbeidsovereenkomst in de gebruikelijke zin van het woord 40 uur per week werkzaamheden heeft verricht.
De kantonrechter wijst de vorderingen af.
Uitspraak Rechtbank Midden-Nederland, 18 juli 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:3574

