De werknemer is bij de werkgever in dienst op basis van een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd. Hij geniet een salaris van € 3.459 bruto per maand exclusief vakantiegeld. Op 15 november 2024 heeft de werknemer zich ziek gemeld.
In april en mei 2025 heeft de werkgever aan de werknemer vaststellingsovereenkomsten aangeboden om de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden te beëindigen. De werknemer is daarmee niet akkoord gegaan.
Sinds 1 juni 2025 heeft de werknemer geen salaris meer ontvangen van de werkgever.
Sinds begin juli 2025 zegt de werkgever tegen de werknemer dat hij failliet is. Dat blijkt (op 29 juli 2025) niet uit het openbare faillissementsregister.
Vordering: salaris juni en vakantietoeslag
De werknemer vordert veroordeling van de werkgever tot betaling van € 6.779,64 bruto (salaris juni 2025 en vakantietoeslag mei 2024 t/m mei 2025), te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50%, rente en kosten.
De werkgever betwist de vordering niet. Als reden voor het niet betalen van het salaris en de vakantietoeslag voert de werkgever aan dat er geen geld meer in de vennootschap zit en er geen werkzaamheden meer worden uitgevoerd. Er zijn meldingen van betalingsonmacht gedaan bij diverse instanties en er wordt gewerkt aan een faillissementsaanvraag. De eigenaar is inmiddels in loondienst elders. De andere eigenaar (de vader) is 73 jaar oud en leeft nu van de AOW.
Matiging wettelijke verhoging
De kantonrechter wijst de vordering (grotendeels) toe, nu deze door de werkgever niet is betwist. De kantontrechter matigt de gevorderde wettelijke verhoging, gelet op het volgende.
De vordering tot betaling van de wettelijke verhoging over het loon van juni 2025 en het vakantiegeld over mei 2024 t/m mei 2025 is toewijsbaar, omdat die bedragen niet op tijd aan de werknemer zijn voldaan. De werkgever voert echter aan dat hij deze bedragen niet heeft betaald vanwege ernstige financiële problemen die hebben geleid tot betalingsonmacht en potentieel faillissement. Alhoewel de werkgever hiervan geen bewijs heeft verstrekt, heeft de werknemer niet weersproken dat het bedrijf in financiële problemen verkeert en geen werkzaamheden meer verricht. Onder deze omstandigheden acht de kantonrechter het billijk om de wettelijke verhoging te matigen tot 20%.
Eisvermeerdering: salaris juli 2025
Op de mondelinge behandeling heeft de werknemer zijn eis vermeerderd met het salaris van juli 2025 (€ 3.459 bruto), te vermeerderen met de wettelijke rente en wettelijke verhoging van 50%. de werkgever heeft geen bezwaar gemaakt tegen die eisvermeerdering.
De werkgever heeft erkend ook het salaris over die maand niet te voldoen aan de werknemer vanwege betalingsonmacht. De werkgever moet daarom ook het salaris over de maand juli 2025 betalen. De daarover gevorderde wettelijke rente en wettelijke verhoging wijst de kantonrechter af, omdat deze op het moment dat de vordering is ingesteld (nog) niet opeisbaar zijn.
Uitspraak Rechtbank Noord-Holland, 5 augustus 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:9341

