De werknemer wordt uitbetaald in schaal 7, de collega in schaal 10. De werknemer vordert loon.
De stelling van de werknemer dat alle werkzaamheden die zij verricht ook worden verricht door haar collega, vindt steun in de diverse getuigenverklaringen van (voormalig) collega’s.
De kantonrechter oordeelt dat op basis van de getuigenverklaringen dat de stelling van de werknemer dat de werkzaamheden die zij verricht en de omstandigheden waaronder zij die verricht, een vergelijkbare situatie opleveren als die van haar collega. Dit betekent dat de werknemer is geslaagd in de haar gegeven bewijsopdracht.
Verboden onderscheid bij beloning
Niet in geschil is dat de werknemer en haar collega niet op gelijke wijze zijn beloond. De werknemer zit in salarisschaal 7, trede 13 en haar collega zit in salarisschaal 10, terwijl de werkzaamheden die de werknemer verricht en de omstandigheden waaronder, een vergelijkbare situatie opleveren als die van haar collega haar collega . Dit betekent dat sprake is van direct onderscheid als bedoeld in artikel 7:646 lid 5 BW.
Op gelijke wijze inschalen als collega
Uit de na de getuigenverhoren (enquête) overgelegde akten leidt de kantonrechter af dat de werkgever inmiddels zelf ook tot de conclusie is gekomen dat hij ten onrechte direct onderscheid heeft gemaakt tussen de werknemer en haar collega; de werkgever heeft besloten alle drie de medewerkers van de maatwerkvoorziening gelijkelijk in te delen in een functie van het generieke functiehuis.
Het voorgaande leidt ertoe dat de door de werknemer gevorderde verklaring voor recht, dat zij dezelfde functie heeft als haar collega en op gelijke wijze als haar collega moet worden ingeschaald, wordt toegewezen.
Loonvordering toegewezen
In de verdere beoordeling wordt daarom uitgegaan van de wijze van beloning voorafgaand aan en tijdens deze procedure conform de CAO MBO.
De werknemer heeft gemotiveerd gesteld dat zij bij haar vorige werkgever was ingedeeld in salarisschaal 9, trede 10 CAO VO en dat dit bedrag moet gelden als laatstverdiende salaris zoals bedoeld in artikel 5.3 lid 7 CAO MBO (nu artikel 5.3 lid 2 CAO MBO 2024-2025). Dit betrof laatstelijk een bedrag van € 3.731,00 op basis van een fulltime dienstverband. De kantonrechter volgt de werknemer hierin. Met de enkele blote betwisting heeft de werkgever de stelling van de werknemer namelijk onvoldoende gemotiveerd betwist.
Gelijke arbeid gelijk belonen
Dat de werknemer, voorafgaand aan het vervullen van de functie van maatwerkfunctionaris, enkele maanden een salaris heeft genoten in schaal 7 CAO MBO, maakt niet dat van dat salaris moet worden uitgegaan. Die functie van leerlingbegeleider die de werknemer in die periode uitoefende, is een geheel andere functie dan die van maatwerkfunctionaris. Bovendien geldt dat gelijke arbeid gelijk beloond moet worden, zodat de werknemer in dezelfde salarisschaal moet worden ingedeeld als haar collega, nu salarisschaal 10 trede 12 CAO MBO.
Tot slot geldt dat een werkgever niet zonder meer voorbij kan gaan aan de op hem in de cao rustende verplichting van de werkgever om bij de inschaling van de werknemer rekening te houden met de al opgedane ervaring van de werknemer en het laatstgenoten salaris.
Recht op € 63.355,18 bruto
De werknemer heeft onweersproken gesteld dat het verschil in beloning berekend vanaf 1 januari 2020 tot en met 31 december 2024 € 63.355,18 bruto bedraagt. Deze vordering is toewijsbaar. Ook de vordering om de werkgever te veroordelen om haar vanaf 1 januari 2025 uit te betalen conform salarisschaal 10 trede 12 wordt toegewezen. Die verplichting geldt uiteraard slechts tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst eindigt dan wel een ander salaris tussen partijen wordt overeengekomen of rechtens komt vast te staan.
Wettelijke verhoging
De werknemer vordert de werkgever te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 31.677,59 bruto, zijnde 50% van de gevorderde hoofdsom voor achterstallig salaris tot en met 2024. De werkgever heeft daartegen geen verweer gevoerd. De kantonrechter maakt toch gebruik van haar bevoegdheid om de gevorderde wettelijke verhoging te matigen. De principiële juridische discussie die partijen hebben gevoerd over de omvang van het verschuldigde loon is reden deze te matigen tot 20%. Dit betekent dat de werkgever wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag aan wettelijke verhoging van € 12.671,04 bruto. De gevorderde wettelijke rente wordt ook toegewezen.
Uitspraak Rechtbank Gelderland, 26 maart 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:5304

