De werkgever betaalt na het einde van de wachttijd (104 weken) geen loon meer aan de zieke werknemer. Is er na de nieuwe ziekmelding een nieuwe wachttijd ingegaan? Is werknemer hervat in (nieuw) bedongen arbeid?
Loonvordering
De werknemer vordert de werkgever te veroordelen tot betaling van het loon. Een ingangsdatum noemt hij echter niet in de vordering. Tussen partijen is niet in geschil dat de werkgever met ingang van juli 2023 geen loon meer aan de werknemer betaalt. Het moet er dus voor gehouden worden dat de werknemer heeft bedoeld betaling van het loon te vorderen met ingang van juli 2023.
De kantonrechter is van oordeel dat uit de aard van deze vordering het spoedeisend belang van de werknemer aannemelijk is. Het gaat immers om een loonvordering en de werknemer heeft ook dit loon nodig om in zijn levensonderhoud te voorzien. Het (gestelde) feit dat de partner van de werknemer ook inkomsten uit arbeid heeft en dat de aan de werknemer betaalde schadevergoeding wellicht ook een component voor aan inkomensschade bevat, maakt dit niet anders.
Recht op betaling loon
Een werknemer die de bedongen arbeid in verband met ongeschiktheid door ziekte niet kan verrichten, heeft gedurende een tijdvak van 104 weken recht op betaling van het loon. Dat staat in art. 7:629 lid 1 BW.
Tussen partijen is niet in geschil dat de werkgever het loon gedurende twee jaar heeft doorbetaald nadat de werknemer zich had ziekgemeld in 2019. Hieruit volgt dat de werkgever bij een nieuwe ziekmelding van de werknemer niet meer verplicht is het loon door te betalen.
Passende arbeid is nieuw bedongen arbeid
De verplichting om opnieuw gedurende 104 weken het loon door te betalen is er wel, indien een werknemer heeft hervat in passende arbeid en die passende arbeid moet worden aangemerkt als de nieuw bedongen arbeid. Dit volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 30 september 2011 (ECLI:HR:2011:BQ8134; Kummeling/Oskam). De werknemer stelt echter niet dat hij zijn werkzaamheden heeft hervat in passende arbeid.
Volledige hervatting in eigen bedongen arbeid
De werknemer voert ter onderbouwing van zijn vordering aan dat hij sinds (in ieder geval) maart 2022 volledig heeft hervat in de eigen bedongen arbeid. Op grond daarvan leidt zijn nieuwe ziekmelding op 28 april 2023 tot een nieuwe periode van 104 weken gedurende welke de werkgever het loon moet doorbetalen, aldus de werknemer. De kantonrechter is van oordeel dat ook op deze grondslag een nieuwe periode van 104 weken zou aanvangen.
Twijfel over hervatten eigen bedongen werkzaamheden
De vordering van de werknemer is echter toch niet toewijsbaar. Er bestaat op dit moment namelijk te veel twijfel over het antwoord op de vraag of de werknemer inderdaad zijn eigen bedongen werkzaamheden volledig heeft hervat op of na maart 2022. De werkgever betwist dat namelijk gemotiveerd.
Fysieke werk nooit meer gedaan
De werkgever stelt in dat verband dat het werk bij Chemelot (met als opdrachtgever Mammoet) aangepast werk in het kader van de re-integratie van de werknemer betrof: het ging om lossen en laden van rijplaten met een kraanmachine. Het lichamelijke/fysieke werk dat de werknemer voorheen in de bedongen arbeid ook moest verrichten, heeft de werknemer nooit meer gedaan, zo heeft de werkgever ter zitting betoogd.
Urenbeperking van 40 uur per week
Verder wijst de werkgever er op dat het UWV in de bezwaarprocedure een urenbeperking van 40 uur per week heeft vastgesteld, terwijl de bedongen arbeid een urenomvang van 42,68 uur per week had. De door dit verweer ontstane twijfel over de juistheid van de stelling van de werknemer dat hij zijn eigen bedongen werkzaamheden in de volle omvang heeft hervat, heeft hij niet weg kunnen nemen met zijn betoog dat hij wel degelijk meer dan 40 uur per week gewerkt heeft na maart 2022.
De kantonrechter is namelijk van oordeel dat, zelfs indien vast staat dat de werknemer meer dan 40 uur per week gewerkt heeft op het Chemelot-terrein, de twijfel of dat werk op zichzelf qua (fysieke) belasting is te betitelen als bedongen arbeid, daarmee niet is weggenomen.
Onvoldoende aanleiding voor betaling loon
Uit het voorgaande volgt dat er onvoldoende aanleiding bestaat om, vooruitlopend op de uitkomst van een eventuele bodemprocedure, de werkgever bij wijze van voorziening te veroordelen tot betaling van het loon met ingang van 1 juli 2023. Over de uitkomst van een dergelijke procedure bestaat namelijk te veel onzekerheid. De kantonrechter oordeelt daarom dat de vordering van de werknemer moet worden afgewezen.
Subsidiaire vordering
De werknemer doet een beroep op bijlage V van de cao (Protocol Arbeidsongeschiktheid). Daarin staat, voor zover hier van belang, het volgende:
“De werkgever informeert de werknemer uitdrukkelijk over de arbeidsvoorwaardelijke aspecten en uitkeringsvoorwaardelijke gevolgen van het al dan niet aanvaarden van een (passende) arbeidsplaats.”
Schadevergoeding verschuldigd
De werknemer betoogt dat, voor het geval hij sinds maart 2022 re-integratiewerkzaamheden heeft verricht, de werkgever hem niet geïnformeerd heeft over de arbeidsvoorwaardelijke en uitkeringsvoorwaardelijke consequenties daarvan. Volgens de werknemer is de werkgever daarom aan hem een schadevergoeding van € 79.404 (twee jaarsalarissen) alsmede pensioenschade verschuldigd.
Vordering onvoldoende onderbouwd
De werkgever voert in zijn verweer onder meer aan dat dit onderdeel van de vordering van de werknemer onvoldoende onderbouwd is. Dat verweer slaagt. Zelfs als moet worden aangenomen dat de werkgever niet heeft voldaan aan de hiervoor geciteerde passage, valt nog niet in te zien waarom de werknemer als gevolg daarvan pensioenschade en schade gelijk aan het overeengekomen brutoloon over twee jaar lijdt. De kantonrechter wijst de vordering van de werknemer af.
Buitengerechtelijke kosten en proceskosten
Omdat de door de werknemer gevorderde loonbetaling en schadevergoeding wordt afgewezen, is er evenmin grond voor toewijzing van de daarmee samenhangende buitengerechtelijke kosten. de werknemer heeft bovendien niet gesteld hoe hoog die kosten zijn, zodat ook daarom dit onderdeel niet toewijsbaar is.
Als de in het ongelijk gestelde partij wordt de werknemer veroordeeld tot betaling van de kosten van dit geding, aan de zijde van de werkgever tot nu toe begroot op € 793 salaris gemachtigde.
Uitspraak Rechtbank Limburg, 26 september 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:5737

