Partijen hebben met elkaar overleg gevoerd over beëindiging van het dienstverband met wederzijds goedvinden. Zij hebben echter geen overeenstemming kunnen bereiken.
De werkgever heeft de werkgever het UWV om toestemming verzocht om de arbeidsovereenkomst met de werknemer op te zeggen wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, de b-grond.
Op 3 november 2025 heeft het UWV de verzochte toestemming verleend.
Bij brief van 7 november 2025 heeft de werkgever de arbeidsovereenkomst opgezegd wegens langdurige arbeidsongeschiktheid.
Door deze opzegging is de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 januari 2026 geëindigd.
Verzoek werknemer
De werknemer verzoekt de kantonrechter de werkgever te veroordelen tot betaling van:
- het resterende bedrag aan transitievergoeding ter hoogte van € 2.462,23 bruto;
- het resterende bedrag aan vakantie-uren ter hoogte van € 8.991,45 bruto;
- het Persoonlijk Ontwikkelbudget (POB-budget) ter hoogte van € 2.477,13 tot de in de regeling aangegeven vervaldata ter beschikking te stellen;
- het arbeidsvoorwaardenbedrag over de maand februari 2025 ter hoogte van € 200;
- het arbeidsvoorwaardenbedrag over de maand juni 2025 ter hoogte van € 304.
Resterend bedrag transitievergoeding?
De werkgever heeft de werknemer het mobility budget aan de werknemer uitbetaald tijdens ziekte, toen de werknemer dus geen woon-werk reiskosten had, Dit blijkt uit de door de werknemer overgelegde loonstroken over de periode van januari 2025 tot en met juni 2025.
Daaruit blijkt al dat sprake is van verkapt loon, zodat deze component moet worden meegenomen bij het bepalen van de hoogte van de transitievergoeding. Verder heeft de werkgever onvoldoende weersproken dat zij ten aanzien van de waarderingspremie een rekenfout heeft gemaakt. Dit betekent dat het verzoek van de werknemer tot betaling van € 2.462,23 bruto wordt toegewezen.
Betaling vakantie-uren na tweede ziektejaar?
De werknemer heeft gesteld dat zij ook over het derde ziektejaar recht heeft op uitbetaling van vakantie-uren en heeft zich daarbij op rechtspraak beroepen.
De kantonrechter zal haar daarin niet volgen, en wel gelet op het navolgende. Artikel 7:634 BW is duidelijk en bepaalt dat een werknemer alleen recht heeft op uitbetaling van vakantie-uren als de werknemer recht heeft gehad op loon. Dat geldt dus uitdrukkelijk niet voor de periode na het tweede ziektejaar.
Volgens de kantonrechter is het maar de vraag of artikel 7:634 BW in strijd is met Europees recht. En zelfs als dat wel het geval zou zijn biedt artikel 7:634 BW geen ruimte voor interpretatie. Dan is het woord aan de wetgever, maar die lijkt gelet op de beantwoording van Kamervragen geen aanleiding te zien om het wetsartikel te wijzigen.
Inmiddels heeft de kantonrechter te Rotterdam recent een prejudiciële vraag gesteld aan de Hoge Raad. Bij de huidige stand van zaken is de kantonrechter van oordeel dat werknemers alleen recht hebben op uitbetaling van niet-genoten vakantie-uren over de periode waarin zij recht hebben gehad op loon conform artikel 7:634 lid 1 BW.
De conclusie moet zijn dat het verzoek van de werknemer op dit punt moet worden afgewezen.
Betaling POB-budget?
De kantonrechter oordeelt dat de werknemer redelijkerwijs aanspraak kan maken op uitbetaling van het POB-budget ter hoogte van € 2.477,13. Dat was de stand van het budget per 31 december 2025, terwijl de werkgever eerdere verzoeken van de werknemer, om het budget op een bepaalde wijze in te zetten heeft afgewezen.
Dit onderdeel van het verzoek van de werknemer wordt daarom toegewezen.
Arbeidsvoorwaardenbudget van €200
In februari 2025 heeft de werknemer vanuit dit budget een smartwatch aangekocht voor €200. De kantonrechter oordeelt dat de werknemer in voldoende mate heeft aangetoond dat de werkgever dit bedrag feitelijk twee keer heeft meegenomen: één keer in het Sociaal Verzekeringsloon en nogmaals via het arbeidsvoorwaardenbudget.
Gelet op het bovenstaande wordt het verzoek van de werknemer tot betaling van €200 toegewezen.
Arbeidsvoorwaardenbudget van €304
Hier heeft de werknemer niet uitgelegd waarvoor zij dit bedrag heeft ingezet. Ook lijkt zij er niet zeker van te zijn of de werkgever hier een dubbeltelling heeft toegepast. Dit betekent dat het verzoek op dit punt, als onvoldoende onderbouwd, wordt afgewezen.
Uitspraak Rechtbank Amsterdam, 20 juli 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:7452

