De werknemer stuurt de werkgever een e-mail waarin hij een verzoek doet tot aanpassing van zijn werktijden als bedoeld in de Wet flexibel werken (Wfw). In het verzoek vraagt hij om in de oneven weken van maandag tot en met vrijdag van 6:00 tot 16.30 uur (9,5 uur per dag en in totaal 47,50 uur) en in de even weken op dinsdag, woensdag en donderdag van 9.00 tot 16.00 uur en vrijdag van 9.00 tot 16.30 uur (in totaal 28,50 uur) te mogen gaan werken. In het e-mailbericht staat vervolgens nog onder meer het volgende:
“hierbij een conceptvoorstel voor het nieuwe werkschema. Dit is gebaseerd op een totaal van 152 uur per maand (…) In de even weken heb ik de kinderen en vandaar dat de even weken iets andere rooster betreft zodat het haalbaar is met schooltijden en BSO-tijden. (…) Ik hoor graag of dit voorstel akkoord is en ik sta open om dit voorstel te bespreken mocht jullie kijk hierop anders zijn.”
De werkgever gaat hier niet mee akkoord. De werknemer stapt uiteindelijk naar de rechter.
Aanpassing werktijd
Op grond van het bepaalde in artikel 2 lid 5 Wfw willigt de werkgever het verzoek van de werknemer om aanpassing van de werktijd in, voor zover het betreft tijdstip van ingang en de omvang van de aanpassing, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.
De werkgever moet het verzoek van de werknemer om de werktijden aan te passen toestaan, tenzij de werkgever een zodanig belang heeft dat de wens van de werknemer daarvoor moet wijken.
Zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang?
In lid 11 van artikel 2 Wfw is vervolgens bepaald dat in ieder geval sprake is van een zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang als de aanpassing leidt tot ernstige problemen:
- op het gebied van veiligheid;
- van roostertechnische aard; of
- financiële of organisatorische aard.
Er moet nu daarom op basis van alle relevante omstandigheden van het geval een afweging worden gemaakt tussen de belangen van de werknemer bij aanpassing van de werktijden en de belangen van de werkgever tegen aanpassing daarvan.
Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter weegt het gestelde belang van de werknemer om in de even weken van maandag tot en met vrijdag van 9.00 tot 16.30 uur en in de oneven weken in overleg met de werkgever van 06.00 tot 16.30 uur tot maximaal 43,5 uur te werken zwaarder dan het belang van de werkgever. Daarvoor is het volgende redengevend.
In het centraal magazijn werken 11 werknemers. Twee daarvan zijn chauffeur. De overige negen werknemers, waaronder de werknemer, hebben allemaal de functie ‘Magazijn Medewerker Centraal Magazijn’. In zijn eigen overzicht maakt de werkgever binnen deze groep onderscheid in functie, namelijk orderpicker en partsmedewerker. De kantonrechter volgt de werkgever niet in dit onderscheid.
Tijdens de mondelinge behandeling is door de werkgever verklaard dat de werknemer (ook) taken uitvoert die horen bij de taak van partsmedewerker. Dat hij daarnaast ook werkzaamheden als orderpicker uitvoert, doet daar niet af.
Vergelijking met starttijden medewerkers
Dit betekent dat de vergelijking met de starttijden van alle andere medewerkers wel relevant is. Het is niet duidelijk waarom de werknemer om 6.00 uur zou moeten beginnen en de andere medewerkers in het centraal magazijn op verschillende latere tijdstippen mogen beginnen. Het is immers niet duidelijk dat en waarom deze andere medewerkers de werkzaamheden, die de werknemer om 6.00 uur zou moeten verrichten, in de even weken niet vanaf 6.00 uur kunnen uitvoeren.
De werkgever heeft vervolgens aangevoerd dat de werkdruk van collega’s van de werknemer enorm is. Onweersproken is echter dat er een collega overleden is, collega’s andere functies hebben gekregen en dat er bij de werkgever meer vestigingen bij zijn gekomen. Vast staat echter ook dat er geen (extra) medewerkers bij zijn gekomen bij het centraal magazijn. Het management van de werkgever is daar ook meerdere malen op gewezen, maar hij heeft daar kennelijk onvoldoende oog voor gehad.
Daarnaast heeft de werkgever erop gewezen dat hij al voor langere tijd een uitzendkracht heeft moeten inhuren en daardoor meer geld kwijt is. Dit lijkt echter het gevolg te zijn van structureel personeelstekort en kan niet 1-op-1 gekoppeld worden aan het verzoek tot wijziging van de arbeidstijden door de werknemer.
Ook de overige punten die de werkgever heeft aangevoerd zijn onvoldoende onderbouwd. Niet duidelijk is geworden waarom deze belangen maken dat de werktijden van de werknemer in de even weken niet gewijzigd kunnen worden.
Bij het voorgaande betrekt de kantonrechter ook dat de werknemer sinds juli 2024 is uitgevallen wegens ziekte en in november 2025 is gestart met re-integratie. Tijdens zijn periode van afwezigheid is zijn werk ook door collega’s uitgevoerd.
Niet in strijd met handboek of cao
Tot slot is het verzoek van de werknemer niet in strijd met het handboek of de cao. Vast staat immers dat de werknemer, gelet op zijn verzoek, (in de oneven weken) niet meer dan 43,50 uur in de week zal werken. Hiermee blijft hij, gelet op het bepaalde in artikel 22 e.v. van de cao, binnen het dagvenster en de maximaal toegestane uren. De werkgever hoeft ook niet om voor die uren een hogere vergoeding te voldoen. Ook dit volgt uit de cao.
Zwaarder belang werknemer
Het belang van de werknemer, om voor zijn minderjarige kinderen te kunnen zorgen, is evident en moet volgens de kantonrechter dan ook zwaarder te wegen. Daarbij neemt de kantonrechter ook in overweging dat de werknemer voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de zorg voor zijn minderjarige kinderen niet op een andere manier (in)geregeld kan worden.
Door de werkgever is niet (voldoende) gemotiveerd weersproken dat de werknemer zijn kinderen niet voor acht uur ’s ochtends naar de buitenschoolse opvang kan brengen, laat staan voor zes uur ’s ochtends.
De conclusie is dan ook dat de vordering van de werknemer moet worden toegewezen, waarbij de kantonrechter nog opmerkt dat partijen nog in overleg kunnen treden voor het eventueel gedeeltelijk doorwerken tijdens de pauzes.
Beslissing kantonrechter
De kantonrechter veroordeelt de werkgever om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis mee te werken aan de aanpassing van de werktijden van de werknemer, inhoudende dat de werktijden van de werknemer worden gewijzigd in die zin dat in de even weken van maandag tot en met vrijdag van 9.00 tot 16.30 uur en in de oneven weken van maandag tot en met vrijdag van 6.00 tot 16.30 uur (in overleg met de werkgever tot een maximum van 43,50 uur) wordt gewerkt.
De kantonrechter bepaalt dat de werkgever deze aangepaste werktijden moet dulden en respecteren zonder de werknemer nadelig te behandelen of te benadelen.
De kantonrechter veroordeelt de werkgever om aan de werknemer een dwangsom te betalen van €250 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij hier niet aan voldoet, tot een maximum van € 10.000 is bereikt,
Uitspraak Rechtbank Gelderland, 23 april 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:3178

