Het gaat in deze zaak om de afwikkeling van het dienstverband van werkneemster. Ter discussie staat de duur van het dienstverband, de hoogte van de transitievergoeding en de vraag of werkneemster na twee jaar ziekte nog vakantiedagen heeft opgebouwd tijdens het slapende dienstverband.
De kantonrechter is van plan om over dat laatste punt een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad te stellen. Verder geeft de kantonrechter een bewijsopdracht over de lengte van het dienstverband.
Waar gaat deze zaak over?
Werkneemster is in dienst geweest bij werkgever. Over de lengte van het dienstverband zijn partijen het niet eens. Volgens werkneemster is zij in dienst vanaf 16 april 1976, volgens werkgever vanaf 30 maart 2006. Werkneemster is sinds 30 juli 2023 arbeidsongeschikt. De loondoorbetalingsverplichting van werkgever eindigde per 27 juli 2025, na 104 weken ziekte. Werkneemster heeft sinds die datum recht op een WIA-uitkering.
Werkgever heeft in een brief van 21 augustus 2025 aan werkneemster geschreven:
“Op 27 juli 2025 bent u gedurende 2 jaar ziek geweest. Volgens de wet hebben wij na afloop van deze twee jaar de mogelijkheid om het dienstverband met u te beëindigen.
Wij hebben besloten om van deze mogelijkheid gebruik te maken en hebben bij het UWV uw ontslagvergunning aangevraagd, welke is goedgekeurd.
Wij hebben daarom het dienstverband met ingang van 27 juli 2025 beëindigd. U ontvangt van ons een eindafrekening en transitievergoeding.”
Werkgever heeft een eindafrekening opgesteld en aan werkneemster een transitievergoeding betaald van € 13.866,89 bruto, en de openstaande vakantiedagen uitbetaald, die zijn opgebouwd tot 27 juli 2025.
‘Onafgebroken in dienst’
Werkneemster stelt dat werkgever bij de berekening van haar transitievergoeding ten onrechte is uitgegaan van een dienstverband vanaf 30 maart 2006. Zij stelt dat zij sinds 16 april 1976 onafgebroken in dienst is geweest bij werkgever dan wel een van zijn rechtsvoorgangers.
Verder vindt werkneemster dat zij recht heeft op vakantiedagen, die zij heeft opgebouwd na het einde van haar twee jaar (104 weken) ziekte. Vanaf 27 juli 2025 was sprake van een slapend dienstverband: werkneemster had geen recht meer op loon nadat werkgever twee jaar lang het loon had doorbetaald en er was geen passend werk voor haar bij werkgever, vanwege haar arbeidsongeschiktheid.
Naar de rechter
Werkneemster verzoekt de kantonrechter:
- werkgever te veroordelen een aanvullende transitievergoeding te betalen van € 24.494,99 bruto, met wettelijke rente;
- te bepalen dat werkneemster ook na het verstrijken van de 104-wekenperiode van arbeidsongeschiktheid vakantiedagen heeft opgebouwd, tot het einde van de arbeidsovereenkomst, en werkgever te veroordelen om deze vakantiedagen uit te betalen.
Geen bewijs voor in dienst sinds 16 april 1976
Partijen zijn het niet eens over de duur van het dienstverband.
Uit de stellingen van werkneemster en de stukken die zij in het geding brengt volgt volgens de kantonrechter niet zonder meer dat zij sinds 16 april 1976 onafgebroken in dienst geweest is bij werkgever en zijn voorgangers. Op de loonstrook van periode 8/1995 staat dat werkneemster sinds 16 maart 1985 in dienst is. Dit zegt nog niets over de tijd vóór 1985 en zegt ook niets over de periode ná 1995.
Werkneemster wordt toegelaten te bewijzen dat zij sinds 16 april 1976 of sinds een latere datum onafgebroken in dienst is geweest bij werkgever dan wel een van zijn rechtsvoorgangers.
Transitievergoeding
Werkneemster stelt dat zij recht heeft op een transitievergoeding opgebouwd tot 21 augustus 2025. De Hoge Raad heeft echter geoordeeld dat bij een onregelmatige opzegging van een arbeidsovereenkomst, het recht op en de hoogte van de transitievergoeding moeten worden bepaald aan de hand van het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst geëindigd zou zijn als de werkgever deze regelmatig opgezegd zou hebben.
De kantonrechter stelt partijen in de gelegenheid een akte te nemen over de vraag wat dit betekent voor de hoogte van de transitievergoeding in deze zaak en daartoe een (aangepaste) berekening in het geding te brengen.
Uitbetaling vakantiedagen
Werkneemster vraagt om uitbetaling van vakantiedagen die zij tijdens dit slapende dienstverband opgebouwd heeft.
Prejudiciële vraag
De kantonrechter heeft het voornemen om aan de Hoge Raad deze prejudiciële vraag te stellen:
Bouwt een arbeidsongeschikte werknemer – anders dan artikel 7:634 lid 1 BW bepaalt – vakantiedagen tegen loonwaarde op tijdens een slapend dienstverband?
Een antwoord op de prejudiciële vraag is nodig om op het verzoek van werkneemster in deze zaak te beslissen. Daarnaast is een antwoord op deze vraag rechtstreeks van belang voor veel nog te verwachten zaken, die gegrond zijn op dezelfde of soortgelijke feiten en oorzaken.
Slapend dienstverband
Er ontstaat namelijk in veel gevallen aan het einde van de periode van twee jaar ziekte een slapend dienstverband, omdat de werkgever toestemming voor ontslag moet vragen aan het UWV en deze procedure enige tijd duurt, waarna de werkgever ook nog een opzegtermijn in acht moet nemen.
Deze problematiek speelt ook bij arbeidsrelaties waarin een slapend dienstverband langere tijd doorloopt omdat de werkgever niet tot beëindiging van het dienstverband overgaat (en de werknemer pas op een later moment een Xella-verzoek doet).
(Deels tegenstrijdige) uitspraken
Over de vraag of vakantiedagen worden opgebouwd tijdens een slapend dienstverband zijn inmiddels meerdere procedures gevoerd. In zes beschikkingen van kantonrechters is het tot (deels tegenstrijdige) uitspraken gekomen. Ook de literatuur is verdeeld.
Naar verwachting wordt over dit onderwerp nog veel vaker geprocedeerd, tot de Hoge Raad uitsluitsel geeft over de vraag of vakantiedagen worden opgebouwd tijdens een slapend dienstverband. Bij de gerechtshoven zijn over dit onderwerp op dit moment nog geen zaken aanhangig.
Partijen mogen meedenken
De kantonrechter stelt partijen, voordat zij de Hoge Raad de prejudiciële vraag stelt, in de gelegenheid zich uiterlijk op 16 maart 2026 uit te laten over het voornemen om deze vraag te stellen en over de inhoud van de te stellen vraag.
Uitspraak Rechtbank Rotterdam, 2 maart 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:2021

