Einde arbeidsovereenkomst door vaststellingsovereenkomst met eindafrekening en diverse vergoedingen. De werknemer vordert ongeveer twee jaar later betaling van eindafrekening, vergoedingen en wettelijke verhoging waar zij recht op heeft, aldus de kantonrechter.
Waar gaat deze zaak over?
De werknemer is op 15 maart 2014 op grond van een arbeidsovereenkomst in dienst getreden van de werkgever. Partijen hebben deze arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden beëindigd per 1 juli 2023 door middel van een vaststellingsovereenkomst van 22 mei 2023. Partijen zijn daarin overeengekomen dat de werkgever uiterlijk op 31 december 2023 aan de werknemer een beëindigingsvergoeding van € 6.400 bruto en de eindafrekening betaalt.
Op 21 juni 2023 heeft de werkgever aan de werknemer de eindafrekening verstrekt. Daarop staan de volgende nettobedragen in vermeld:
- loon april t/m juni, 3 x € 4.293,67 € 12.881,01;
- vakantiebijslag € 6.275,12;
- reiskosten € 304,20;
- overige kosten € 40,75;
- uitbetaling opgebouwde, maar niet genoten vakantiedagen € 650.
De werknemer heeft de werkgever meermaals gesommeerd/aangemaand om aan haar de beëindigingsvergoeding en de eindafrekening te betalen. Tot nu toe heeft de werkgever alleen het loon van € 4.293,67 netto over de maand april 2023 aan de werknemer betaald.
De werknemer stapt naar de rechter.
‘Geen spoedeisend belang’
De werkgever betwist niet dat hij de gevorderde bedragen op grond van de vaststellingsovereenkomst verschuldigd is aan de werknemer. Toch moet de vordering van de werknemer volgens de werkgever worden afgewezen vanwege het ontbreken van spoedeisend belang.
Wel spoedeisend belang
De vordering van de werknemer bestaat grotendeels uit achterstallig loon. Het is vaste jurisprudentie dat een loonvordering in het algemeen naar haar aard een spoedeisend belang met zich brengt.
Daarnaast heeft de werknemer aangevoerd dat het uitblijven van de betalingen van de werkgever voor financiële problemen heeft gezorgd bij de financiering van een geplande woningrenovatie en nog steeds een negatieve impact heeft op de financiële planning en bedrijfsvoering van haar eigen bedrijf omdat zij had gerekend op betaling van de bedragen die de werkgever aan haar verschuldigd is.
Ook heeft de werknemer aangevoerd dat de werkgever blijkbaar betalingsproblemen heeft. De werknemer vreest daarom dat de werkgever binnenkort failliet gaat. Daarin ziet de werknemer ook een spoedeisend belang om betaling te vorderen. Ze wil een eventueel faillissement voor zijn.
Aangezien de werkgever tegen deze stellingen van de werknemer geen verweer heeft gevoerd, gaat de kantonrechter uit van de juistheid daarvan. De werknemer heeft met haar betoog volgens de kantonrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij de door haar gevorderde voorzieningen.
Het enige verweer dat de werkgever tegen het gestelde spoedeisende belang heeft aangevoerd is het tijdsverloop tussen 31 december 2023 en het moment dat de werknemer deze procedure heeft gestart. Dat verweer verwerpt de kantonrechter. Dit enkele tijdsverloop maakt namelijk niet dat daardoor het spoedeisend belang van de werknemer is komen te vervallen.
De kantonrechter oordeelt dat de werknemer een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorzieningen.
De gevorderde hoofdsommen worden toegewezen. Vast staat immers dat de werkgever de gevorderde bedragen aan de werknemer verschuldigd is.
Wettelijke rente
De kantonrechter wijst de de wettelijke rente toe met ingang van 1 januari 2024, aangezien de werkgever op grond van de vaststellingsovereenkomst met ingang van die datum in verzuim verkeert met de betaling.
Wettelijke verhoging
De wettelijke verhoging over de loonbestanddelen die onderdeel uitmaken van de eindafrekening (het loon over de maanden april tot en met mei, de vakantiebijslag en de opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen) is toewijsbaar.
Het daartegen gevoerde verweer van de werkgever wordt dus verworpen. Het door de werkgever gestelde feit dat er van zijn kant geen sprake is van betalingsonwil, maar dat hij de gevorderde bedragen niet kan betalen is namelijk onvoldoende grond om de wettelijke verhoging af te wijzen of te matigen.
Beslissing
De kantonrechter veroordeelt de werkgever om aan de werknemer te betalen:
- € 6.400 bruto beëindigingsvergoeding;
- € 8.587,32 nettoloon over de maanden mei en juni 2023,
- € 6.275,12 netto vakantiebijslag over 2023 en 2023,
- € 304,20 netto reiskosten over april en mei 2023 en € 40,75 netto overige uitgaven,
- € 650 netto uitbetaling niet opgenomen vakantiedagen over de periode 2021 en 2023.
Daarnaast moet de werkgever wettelijke rente betalen met ingang van 1 januari 2024 tot de dag van volledige betaling. Ook moet de werkgever de wettelijke verhoging betalen over het loon, de vakantiebijslag en de niet opgenomen vakantiedagen.
Uitspraak Rechtbank Limburg, 2 februari 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:864

