De Kennisgroep loonheffing algemeen van de Belastingdienst heeft een standpunt ingenomen over de toepassing van de gerichte vrijstelling voor branche-eigen producten van het bedrijf van de werkgever.
Wat is de situatie?
Een werkgever geeft een vergoeding aan een werknemer als deze een product aanschaft dat de werkgever heeft geproduceerd. De werknemer kan dit product kopen in een fysieke winkel of een webshop. Deze fysieke en online winkels zijn alleen toegankelijk voor werknemers, oud-werknemers en werknemers van partnerbedrijven van de werkgever. De winkels verkopen uitsluitend producten die door (het bedrijf van) de werkgever worden geproduceerd. De werkgever heeft geen direct of indirect aandelenbelang in de winkels. De winkels kopen de producten in bij de werkgever en verkopen deze voor eigen rekening en risico.
Als een werknemer een product aanschaft bij een (online) winkel ontvangt hij een vergoeding ter hoogte van 20% van de aankoopprijs van het product na het indienen van de factuur bij de werkgever.
Vraag en antwoord
Is de gerichte vrijstelling (artikel 31a, tweede lid, onderdeel i, van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964)) van toepassing op branche-eigen producten van het bedrijf van de werkgever als de werknemer deze producten heeft aangeschaft bij een derde?
Nee, het betreft een product van een derde en niet van het bedrijf van de werkgever of van een met de werkgever verbonden vennootschap. De gerichte vrijstelling is daarom niet van toepassing.
Bij derden aangeschafte branche-eigen producten
De gerichte vrijstelling geldt voor zowel vergoedingen als verstrekkingen. In de huidige bepaling is niet expliciet opgenomen dat bij een vergoeding sprake moet zijn van aanschaf bij de werkgever of een met de werkgever verbonden vennootschap. Uit de wetsgeschiedenis blijkt echter dat het de bedoeling van de wetgever is geweest de oude vrijstelling voor branche-eigen producten onder de werkkostenregeling te continueren. De oude vrijstelling was niet van toepassing voor bij derden aangeschafte branche-eigen producten. Dit is alleen anders als de producten via een derde verkocht worden in opdracht van en voor rekening en risico van de werkgever. Hiervan is in de casus geen sprake.
Daarnaast geldt volgens de wettekst dat het moet gaan om een product van het bedrijf van de werkgever. De (online) winkels in casu kunnen niet worden aangemerkt als een bedrijf van de werkgever, aangezien de werkgever geen direct of indirect aandelenbelang in de (online) winkels heeft.
Altijd eindheffingsloon
Deze uitleg is ook in overeenstemming met artikel 31 eerste lid, onderdeel g, sub 1, Wet LB 1964:
“g. voorzover sprake is van vroegere arbeid:
1°. vergoedingen ter zake van de aanschaf bij de inhoudingsplichtige dan wel bij een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap van branche-eigen producten van het bedrijf van de inhoudingsplichtige dan wel van het bedrijf van een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap;”
Deze bepaling regelt dat vergoedingen voor postactieve werknemers voor de aanschaf van branche-eigen producten bij de werkgever of een met de werkgever verbonden vennootschap altijd eindheffingsloon zijn. Hierbij geldt als voorwaarde dat de werkgever deze vergoeding ook aan actieve werknemers geeft. In deze bepaling is wel expliciet opgenomen dat sprake moet zijn van aanschaf bij de werkgever of een met de werkgever verbonden vennootschap. Uit de parlementaire behandeling blijkt niet dat de wetgever onderscheid heeft willen maken tussen postactieve en actieve werknemers.
KG:204:2026:1 Branche-eigen producten bedrijf werkgever

