De werknemer heeft een opleiding tot vrachtwagenchauffeur (rijopleiding C) gevolgd bij de Driving Academy van de werkgever.
Voor zowel de kosten van het theoretische gedeelte van die opleiding als de kosten van het praktijkgedeelte zijn partijen studiekostenbedingen overeengekomen.
Door de werkgever zijn studiekostenovereenkomsten overgelegd. Op één van die overeenkomsten staat rechts bovenin de naam de werknemer vermeld met daarbij de datum 6 mei 2024 met daarbij een AFAS-stempel.
De werknemer heeft op 24 juli 2024 haar rijbewijs C gehaald.
De werknemer is op 1 september 2024 in dienst getreden bij de werkgever in de functie van chauffeur. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Beroepsgoederenvervoer van toepassing.
De arbeidsovereenkomst is na opzegging door de werkgever op 27 september 2024 geëindigd.
Recht op terugbetaling?
Het geschil draait om de vraag of de werkgever recht heeft op terugbetaling van de door hem betaalde kosten voor de door de werknemer gevolgde rijopleiding.
Tussen partijen staat vast dat zij ten aanzien van de door de werknemer bij de werkgever gevolgde rijopleiding studiekostenbedingen zijn overeengekomen voor zowel het theoretische gedeelte als het praktijkgedeelte van die opleiding.
De werknemer heeft weliswaar aangevoerd dat in de door haar ondertekende versies geen bedragen waren genoemd, maar zij heeft die stelling niet onderbouwd. De werkgever heeft op dit punt ter zitting toegelicht dat de tekst van de studieovereenkomst met daarin zowel bedragen als een staffel een standaardtekst is die bij alle aanstaande medewerkers van de werkgever (en dus ook bij de werknemer) is gebruikt.
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft de werkgever bovendien de digitaal ondertekende versies van die studiekostenbedingen overgelegd. Ter zitting is door de werkgever toegelicht dat dit blijkt uit de datum, naam en AFAS-stempel die in de rechterbovenhoek van het document staan.
Ook na deze nadere onderbouwing heeft de werknemer haar stelling dat in de door haar ondertekende versies van de studiekostenbedingen geen bedragen stonden vermeld, niet van een onderbouwing voorzien, zodat daaraan om die reden voorbij moet worden gegaan.
Dit betekent dat beoordeeld moet worden of de studiekostenbedingen rechtsgeldig konden worden overeengekomen.
Voorwaarden studiekostenbeding
Het studiekostenbeding is niet specifiek geregeld in de wet.
Voor zover relevant in deze zaak geldt dat het beding moet voldoen aan de volgende voorwaarden:
- in het studiekostenbeding moet de periode zijn vastgesteld waarin de werkgever geacht wordt baat te hebben van de door de studie opgedane kennis en vaardigheden (de baatperiode),
- de terugbetalingsverplichting moet tijdens die baatperiode evenredig verminderen, zodat de terugbetalingsverplichting in evenredigheid staat tot de duur van het dienstverband na afloop van de studie (de glijdende schaal),
- de terugbetalingsregeling moet aan de werknemer duidelijk zijn uiteengezet.
Verder is van belang dat een werkgever onder omstandigheden in strijd met de goede trouw kan handelen, als hij de werknemer op grond van de getroffen studiekostenregeling aan terugbetaling van studiekosten houdt, wanneer hij zelf het initiatief tot beëindiging van de dienstbetrekking van de werknemer heeft genomen.
Voldaan aan voorwaarden
In de studieovereenkomsten die partijen hebben gesloten is de baatperiode bepaald op drie jaar na afronding van de studie. Dit is overeenstemming met wat in de cao op dit punt is bepaald. Ook is voldaan aan het vereiste van een glijdende schaal. De verplichting van de werknemer tot terugbetaling van de opleidingskosten wordt namelijk in drie jaar geleidelijk afgebouwd van 75% naar 0%.
De terugbetalingsregeling is in de schriftelijke overeenkomsten duidelijk uiteengezet en tussen partijen staat vast dat voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst ook mondeling aan de werknemer is uitgelegd dat zij, als zij binnen drie jaar uit dienst zou gaan, de opleidingskosten zou moeten terugbetalen volgens de hiervoor vermelde staffel.
De werknemer stelt weliswaar dat dit alleen zo zou zijn als zij op eigen initiatief uit dienst zou gaan, maar dit strookt niet met de door haar ondertekende overeenkomsten. Daarin staat dat zij moet terugbetalen als zij na het afronden van de opleiding niet bij de werkgever in dienst treedt dan wel als de arbeidsovereenkomst binnen drie jaar na het einde van de opleiding hoe dan ook eindigt of niet wordt voortgezet, tenzij dit het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.
Niet ernstig verwijtbaar
Dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten is gesteld noch gebleken. Dit betekent dat de werknemer op grond van de overeenkomst verplicht kan worden tot terugbetaling van opleidingskosten.
Geen bijkomende omstandigheden
Dat de arbeidsovereenkomst is opgezegd door de werkgever maakt in dit geval niet dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om van de werknemer studiekosten terug te vorderen. Daarvoor moet op grond van de hiervoor genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad sprake zijn van bijkomende omstandigheden. Van dergelijke bijkomende omstandigheden is niet gebleken.
75% terugbetalen
In de studieovereenkomsten is bepaald dat de totale opleidingskosten € 7.254,09 bedragen. Door de werkgever is toegelicht dat de werknemer, omdat de arbeidsovereenkomst binnen één jaar na het afronden van de opleiding is geëindigd, gehouden is 75% van die kosten aan de werkgever terug te betalen, een bedrag van € 5.440,57.
Eigen bijdrage
Daar komt volgens de werkgever een bedrag van € 1.000 bij als het nog niet betaalde deel van de door de werknemer verschuldigde eigen bijdrage van in totaal € 1.200. De werknemer betwist dit en stelt daartoe dat zij de eigen bijdrage volgens de studieovereenkomst alleen verschuldigd was als zij in dienst zou zijn gebleven.
Nu de werknemer uit dienst is gegaan, is zij 75% van de opleidingskosten verschuldigd. Volgens de tekst van de studieovereenkomsten strekken daarop de al betaalde eigen bijdragen (in dit geval een bedrag van € 200,00) in mindering. In zoverre is de berekening van de werkgever dus onjuist.
De werkgever brengt vervolgens de verkregen subsidie in mindering. Die subsidie bedraagt € 1.957,30.
€ 2.423,42 aan studiekosten verschuldigd
De conclusie is dat de werknemer een bedrag van (€ 5.440,57 – € 1.957,30 =) € 3.483,27 aan studiekosten aan de werkgever moet terugbetalen. Tussen partijen staat vast dat daarvan al een bedrag van € 859,85 is ingehouden op het loon van oktober 2024. En ook is door de werkgever al € 200 aan eigen bijdragen ingehouden. Die bedragen strekken in mindering, zodat de werknemer aan de werkgever een bedrag van in totaal € 2.423,42 aan studiekosten verschuldigd is.
Niet-uitbetaalde overuren?
De werknemer heeft zich beroepen op verrekening met de gevorderde uitbetaling van overuren. De werknemer heeft aan haar vordering de stelling ten grondslag gelegd dat zij gemiddeld 60 à 70 uur per week heeft gewerkt, zodat zij ongeveer 100 overuren heeft gemaakt. Die uren zijn niet uitbetaald, aldus de werknemer.
De werkgever betwist dat sprake is van niet uitbetaalde overuren. De werkgever heeft een overzicht van de door de werknemer gewerkte uren overgelegd. Daaruit blijkt volgens de werkgever dat de werknemer 42,68 overuren heeft gemaakt. Uit de overgelegde loonstrook van oktober 2024 blijkt dat die overuren aan de werknemer zijn uitbetaald, aldus de werkgever.
Door de werknemer is niet weersproken dat er 42,68 overuren aan haar zijn uitbetaald. Voor zover zij stelt dat zij meer overuren heeft gemaakt, is die stelling onvoldoende onderbouwd.
De werknemer wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 2.423,42 aan studiekosten.
Uitspraak Rechtbank Gelderland, 19 november 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:9862

