Het studiekostenbeding houdt onvoldoende rekening met de mate waarin het kantoor baat heeft gehad bij de door het kantoor tijdens zijn studie verworven kennis en vaardigheden. Daarnaast is in het studiekostenbeding onvoldoende duidelijk uiteengezet dat met de overname van de studieschuld van de vorige werkgever van de werknemer de termijn waarop die overgenomen kosten verminderden, opnieuw zou starten.
Waar gaat deze zaak over?
Een accountantskantoor heeft een werknemer overgenomen van een ander accountantskantoor met een studieschuld van ruim € 15.000. De werknemer volgde een duale RA-opleiding: één dag per week studeren, vier dagen werken, met een korting op het salaris van 7% op studiedagen. De werknemer heeft na anderhalf jaar zijn arbeidsovereenkomst opgezegd om een opleiding tot piloot te volgen.
Het accountantskantoor stapt naar de rechter en eist ruim € 17.000 aan studiekosten. De kantonrechter wees uiteindelijk € 4.100 toe.
Volgens het accountantskantoor is de werknemer op grond van het studiekostenbeding verplicht tot terugbetaling van de studiekosten.
Geen noodzakelijke scholing
De werknemer stelt dat de RA-opleiding noodzakelijke scholing was en het studiekostenbeding daarom nietig. De kantonrechter vond dat het geen noodzakelijke scholing was. De opleiding was namelijk niet vereist voor de functie van assistent-accountant. Dat de opleiding nodig is om later partner te worden, maakt het een startkwalificatie voor deze functie en dus geen noodzakelijke scholing in de zin van artikel 7:611a BW. Daarom is een studiekostenbeding toegestaan.
Baat bij de studie
Toch pakte het studiekostenbeding niet helemaal goed uit:
- Het beding hield geen rekening met het feit dat het kantoor al direct baat had bij de studie. De werknemer ontving minder loon voor studiedagen die op werkdagen vielen en hij studeerde duaal, wat onder meer betekende dat hij doorgaans vier dagen per week werkte. De opgenomen termijn van twaalf maanden geldt volgens de kantonrechter daarom niet.
- Het accountantskantoor had bij de overname van de studieschuld de afbouwtermijn opnieuw laten starten, zonder dat duidelijk vast te leggen. De rechter rekende daarom verder met de oorspronkelijke termijnen van de vorige werkgever.
De gevorderde studiekosten wijst de kantonrechter daarom maar deels toe.
Gelet op de staffel in de studieovereenkomst, worden de door het kantoor voor de werknemer in de twaalf maanden voor het einde van zijn dienstverband betaalde studiekosten voor 2/3 deel toegewezen en de in de dertien tot en met 24 maanden voor dat einde gemaakte studiekosten voor 1/3 deel toegewezen. Dit komt neer op een bedrag van circa € 4.100.
Uitspraak Rechtbank Amsterdam, 20 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3114

