Het wetsvoorstel financiering kinderopvang is in oktober 2025 opengesteld voor internetconsultatie en sluit op 28 november. De reacties worden beoordeeld en verwerkt.
Het tijdpad is ambitieus: om ouders vanaf 2029 eenvoud en zekerheid te bieden, is voortgang van onverminderd belang. Wat is de stand van zaken van de herziening?
Hoofdelementen wetsvoorstel
De belangrijkste elementen van de nieuwe financiering zijn:
- Een hoge inkomensonafhankelijke vergoeding kinderopvang (een subsidie).
- De uitvoerder betaalt de vergoeding kinderopvang rechtstreeks aan de kinderopvangorganisatie.
- Zowel de initiële als periodieke toets op de voorwaarden (waaronder de arbeidseis) heeft alleen gevolgen naar de toekomst toe en leidt niet tot terugvorderingen bij de ouder(s).
- De verantwoordelijkheid voor het aanvragen van de subsidie, het doorgeven van wijzigingen in het aantal afgenomen opvanguren en het uurtarief ligt bij de kinderopvangorganisatie.
Deze elementen moeten zorgen voor een stelsel dat ouders eenvoud en zekerheid biedt, en kinderopvang voor de meeste ouders veel beter betaalbaar maakt. Terugvorderingen zijn verleden tijd. Door de eenvoud en zekerheid is het nieuwe stelsel minder gericht op de situatie van ouders: inkomen speelt geen rol, zoals dat bijvoorbeeld ook in het onderwijs het geval is.
In het nieuwe stelsel nemen de verantwoordelijkheden van kinderopvangorganisaties toe. Zo worden zij verantwoordelijk voor het aanvragen van de subsidie en zijn er gevolgen voor de financiële verantwoording.
Toegankelijkheid en doelmatigheid
Het feit dat kinderopvang in het nieuwe stelsel voor de meeste ouders veel goedkoper wordt, heeft ook risico’s voor de toegankelijkheid en doelmatigheid. De kinderopvangmarkt is nu al krap, vooral door personeelstekorten.
De risico’s voor toegankelijkheid en doelmatigheid zijn het gevolg van de fundamentele keuze voor eenvoud, zekerheid en betaalbaarheid. Deze keuze is gemaakt om de problemen in de huidige kinderopvangtoeslag met complexiteit, onzekerheid en terugvorderingen op te lossen. Van die keuze profiteren alle partijen in het stelsel: (werkende) ouders, kinderopvangorganisaties en de overheid.
Het is goed om te benadrukken dat het gaat om risico’s die zich kunnen voordoen, maar waarvan niet zeker is dat ze zich zullen voordoen.
Ingroeipad naar inkomensafhankelijke vergoeding
Een van de manieren om te borgen dat de markt de toenemende vraag aan kan, is het ingroeipad naar de inkomensonafhankelijke vergoeding. De komende jaren gaat stapsgewijs de vergoedingspercentages in de kinderopvangtoeslag omhoog richting 96%, waar alle inkomensgroepen in 2029 recht op zullen hebben.
In 2025 zijn de toeslagpercentages voor het eerst verhoogd en in 2026 wordt de tweede stap op dit ingroeipad gezet.
Het is belangrijk om de vergoedingspercentages stapsgewijs te verhogen, omdat zo de vraag naar kinderopvang voor alle inkomensgroepen geleidelijk kunnen stimuleren. Zo wordt voorkomen dat er bij een bepaalde groep ouders een grote, plotselinge vraagstijging plaatsvindt bij overgang naar het nieuwe financieringsstelsel in 2029.
Middeninkomens
Het kabinet wil dat middeninkomens sneller meeprofiteren van de stappen naar de inkomensonafhankelijke vergoeding. Ook is het belangrijk dat nu al is te monitoren wat een verhoging van de vergoedingspercentages doet met het gebruik onder hoge inkomens, zodat daar indien nodig tijdig en gericht op is bij te sturen. Daarom is het kabinet van plan de vergoedingspercentages voor middeninkomens in 2027 te verhogen met 12,5%-punt, terwijl de vergoedingspercentages voor de hoogste inkomens met 6,4%-punt worden verhoogd.
De precieze aanpassingen van de vergoedingspercentages zijn nog afhankelijk van de budgettaire voorjaarsbesluitvorming en worden volgend jaar vastgelegd in het Besluit kinderopvangtoeslag.
Voordat het stelsel voor heel Nederland in werking treedt op 1 januari 2029, wordt het nieuwe stelsel stapsgewijs uitgerold. De komende tijd wordt nader uitgewerkt hoe deze aanpak er precies uit gaat zien en ook hoe deze juridisch vorm krijgt.
Derde kwartaal van 2026
Het kabinet verwacht het wetsvoorstel na advies van de Raad van State in het derde kwartaal van 2026 aan de Tweede Kamer te sturen. Met deze planning en aanpak ligt het kabinet op koers om per 1 januari 2029 het nieuwe stelsel in te voeren.

