Kun je een belastingaanslag krijgen over loon dat je naar eigen zeggen niet hebt ontvangen? Ja, en die aanslag moet je ook betalen, oordeelt de rechter.
Waar gaat deze zaak over?
De vader staat van 1 augustus 2018 tot 6 december 2019 op de loonlijst van de vennootschap. De zoon van is in 2019 eigenaar van alle aandelen in en statutair bestuurder van de vennootschap, die is opgericht op 29 januari 2018.
In de door de vennootschap ingediende aangiften loonheffingen is loon van de vader begrepen; in 2019 betreft het een jaarloon van € 18.244 en in 2018 een jaarloon van € 7.971. Op het loon over 2019 van de vader is volgens de aangiften loonheffingen € 1.542 aan loonheffing ingehouden. Deze loonheffing is door de vennootschap afgedragen.
De vader heeft in zijn aangifte IB/PVV 2019 een bedrag van € 18.244 aan van de vennootschap genoten loon en hetzelfde bedrag als negatief resultaat uit overige werkzaamheden verantwoord. Dit deed hij omdat hij stelde het loon nooit te hebben ontvangen. Daarnaast zijn een AOW-uitkering en pensioeninkomsten ten bedrage van in totaal € 11.169 in de aangifte IB/PVV 2019 opgenomen.
Bij het vaststellen van de aanslag heeft de inspecteur het negatief resultaat uit overige werkzaamheden geheel gecorrigeerd en de aanslag vastgesteld berekend naar een belastbaar inkomen van € 29.413, bestaande uit € 18.244 loon en € 11.169 inkomsten uit vroegere dienstbetrekking.
Ongelukkige samenloop
Voor de vader ontstond een precaire situatie. Door zijn ‘loon op papier’ en zijn AOW en pensioen had hij geen recht meer op toeslagen, waaronder huur- en zorgtoeslagen. Daar kwam een pittige aanslag inkomstenbelasting bovenop die hij niet kon voldoen. Hoe moet ik € 8.000 betalen met alleen een AOW-inkomen van rond de € 1.600?, hield hij de belastinginspecteur voor. Die verwierp zijn bezwaar omdat de vader loon zou hebben genoten, ook al was het misschien slechts op papier.
Arbeid, loon en fiscale winst
Nadat de rechter de vader in het ongelijk had gesteld, ging hij in hoger beroep. Maar ook daar kreeg hij nul op rekest. Het gerechtshof wees erop dat uit de stukken bleek dat de man in 2019 een arbeidsovereenkomst had voor 40 uur per week. Bovendien had de vader verklaard dat hij zijn zoon wilde helpen met het opbouwen van het bedrijf. Deze uitspraak stond haaks op zijn latere bewering dat hij slechts minimaal had geadviseerd. Dit, in combinatie met het feit dat hij op de loonlijst stond, maakte dat het hof een privaatrechtelijke dienstbetrekking aannemelijk vond. Cruciaal voor het oordeel van het hof was dat de bv van de zoon het loon daadwerkelijk ten laste van de fiscale winst had gebracht.
‘Afstand van recht’ baat niet
Het hof stelde vast dat loon niet alleen wordt genoten wanneer het daadwerkelijk is uitbetaald, maar ook wanneer het ‘vorderbaar en inbaar’ is. Het hof stelde dat de vader zijn loon had kunnen opeisen omdat de bv de loonheffingen over het bedrag had aangegeven en afgedragen, en het bedrag ten laste van de winst had gebracht. Dat de vader zich beriep op de mogelijkheid tot ‘Afstand van recht’ (artikel 6:160 BW) zodat hij met terugwerkende kracht kon afzien van het loon, hielp hem niet. Het hof stelde vast dat van een daadwerkelijke correctie of een formele afstand in de administratie van de bv nog geen sprake was.
Onvoldoende feiten en omstandigheden
De vader heeft onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld die tot de conclusie leiden dat het loon niet vorderbaar en inbaar was. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de vader in de bezwaarfase heeft gesteld dat hij geen loon heeft ontvangen om reden dat dit loon nadelige gevolgen heeft voor de over 2019 ontvangen toeslagen. Hij heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die tot de conclusie kunnen leiden dat het bedrag aan loon als negatief resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking mag worden genomen.
Uitspraak Hof Den Bosch, 8 oktober 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:2783

