Minister Paul van SZW informeert over de indexatie van het minimumloon.
Uitgangspunt van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML) is dat de algemene welvaartsontwikkeling zo mogelijk ook tot uitdrukking moet komen in de inkomens van werknemers met een minimumloon, en van uitkeringsgerechtigden. Dit uitgangspunt staat in artikel 14 van de WML. Dit artikel koppelt het minimumloon en de sociale uitkeringen aan de contractloonontwikkeling.
Het eerstvolgende moment dat het minimumloon wordt geïndexeerd is op 1 januari 2026. Hierbij wordt de indexatiewijze toegepast zoals voorgeschreven in artikel 14, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. Per 1 januari 2026 bedraagt het wettelijk minimumuurloon € 14,71 (artikel 8 van de WML wijzigt dan). De Regeling tot indexatie van het wettelijk minimumloon per 1 januari 2026 voorziet in deze indexatie van het wettelijk minimumuurloon. Deze regeling is op 9 oktober 2025 in de Staatscourant gepubliceerd.
Aanpassingspercentage indexatie: 2,159%
In artikel 14, eerste tot en met derde lid, van de WML, wordt de aanpassing van het minimumloon geregeld. Uitgangspunt is de helft van de CPB-raming voor de contractloonstijging in 2026 zoals gepubliceerd bij de MEV 2026. Dit is 0,5 x 4,056 procent = 2,028 procent.
Dit bedrag wordt aangepast aan het zogenaamde naijleffect uit het voorafgaande jaar (artikel 14, eerste lid, onderdeel b van de Wml). Dat is het verschil tussen de ontwikkeling van de contractlonen zoals deze voor 2025, volgens de bekendmaking in de CEP-raming uit februari 2025, was geraamd en de ontwikkeling van de contractlonen zoals deze voor 2025 volgens bekendmaking in de MEV uit september 2025, nader is geraamd. Dit verschil bedraagt 0,131 procentpunt.
De uitkomst van de berekening is 2,159 procent en vormt het niet afgeronde aanpassingspercentage. Het (onafgeronde) minimumloon, zoals berekend vóór de aanpassing per 1 juli 2025 wordt verhoogd met dit niet afgeronde percentage.
Minimumuurloon en referentiemaandloon
Na de (wettelijke) afronding wordt het bruto wettelijk minimumuurloon per 1 januari 2026 vastgesteld op € 14,71 per uur (per 1 juli 2025: € 14,40). In totaal neemt het bruto minimumuurloon voor personen van 21 jaar en ouder (na afronding) als gevolg van de indexatie per 1 januari 2026 toe met 2,15 procent ten opzichte van het uurbedrag dat gold op 1 juli 2025.
Het referentiemaandloon bedraagt per 1 januari 2026 bruto € 2.294,40 per maand (per 1 juli 2025: € 2.245,80).
Minimumjeugdloon
De met het wettelijk minimumuurloon corresponderende wettelijke minimumjeugdlonen zijn geregeld in het Besluit minimumjeugdloon:

Beroepsbegeleidende leerweg (bbl)
Voor werknemers die werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst die is aangegaan in verband met een beroepsbegeleidende leerweg (bbl) gelden alternatieve staffels, die zijn vastgesteld in het Besluit minimumjeugdloon. Voor leerlingen in de bbl in de leeftijd van 15 tot en met 17 jaar en 21 jaar gelden bovenstaande bedragen.
In afwijking van bovenstaande gelden voor leerlingen in de bbl in de leeftijd van 18 tot en met 20 jaar de hiermee corresponderende wettelijke minimumjeugdlonen:

Kamerbrief Indexatie wettelijk minimumloon per 1 januari 2026
Ministeriële regeling ter indexatie van het wettelijk minimum per 1 januari 2026

