De oud-werknemer stelt dat aan hem in 2002 en 2010 aandelen zijn toegekend. Er is daarom sprake van een recht op levering van aandelen, subsidiair optierechten. De toekenning daarvan hangt samen met zijn dienstbetrekking in het Verenigd Koninkrijk. De afwikkeling daarvan levert dus geen heffingsmoment op voor de inkomstenbelasting in 2016 of 2017 in Nederland, aldus de man.
Geen rechten op levering aandelen of optierechten
De beroepsgrond faalt, omdat de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij rechten op levering van aandelen dan wel optierechten heeft verkregen en dat het heffingsmoment daarom in het verleden ligt. Hierbij acht de rechtbank relevant dat de gemaakte afspraken onduidelijk zijn en dat hierover veel discussie is geweest tussen de man en zijn werkgever. Daarnaast zou het ook gaan op een recht op aandelen (de zogeheten B shares) die niet hebben bestaan.
Geen aftrek op grond van 30%-regeling
Ook is terecht geen rekening gehouden met enige aftrek op grond van de 30%-regeling voor extraterritoriale kosten. Gesteld noch gebleken is dat de werkgever van de man op de betalingen in 2016 en 2017 heeft aangewezen als een gerichte vrijstelling en ook niet als zodanig (op individueel administratief niveau) heeft verwerkt in de loonadministratie.
Aanslagen te hoog vastgesteld?
De rechtbank beoordeelt of de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 en de aanslag IB/PVV 2017 niet te hoog zijn vastgesteld.
In geschil is of de door de man ontvangen bedragen van € 151.920 (december 2016) en € 1.868.988 (januari 2017) terecht voor het volle bedrag tot zijn inkomen uit werk en woning in deze jaren zijn gerekend. Meer in bijzonder is in geschil het antwoord op de volgende vragen:
- Is het in 2016 ontvangen bedrag van € 151.920 terecht aangemerkt als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking? Zo ja, is dit bedrag terecht tot het inkomen van het jaar 2016 gerekend?
- Is het in 2017 ontvangen bedrag van € 1.868.988 terecht aangemerkt als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking? Zo ja, is dit bedrag terecht tot het inkomen van het jaar 2017 gerekend, of is het al genoten in het jaar 2016?
- Is voor beide beloningen terecht geen rekening gehouden met enige aftrek op grond van de 30%-regeling voor extraterritoriale kosten?
- De rechtbank oordeelt dat de navorderingsaanslag IB/PVV 2016 te hoog is vastgesteld en dat de aanslag IB/PVV 2017 naar het juiste bedrag is vastgesteld.
‘Aandelen behoren tot vermogen’
De man voert aan dat aan hem in 2002 en 2010 aandelen zijn toegekend toen hij in het Verenigd Koninkrijk woonde en werkte. De mogelijkheid om de levering van de aandelen af te dwingen is voor de in 2002 toegekende aandelen niet later gelegen dan in 2005 en de aandelen zijn onmiskenbaar toegekend in verband met werken in het Verenigd Koninkrijk, aldus de man. Op dat moment (2003, 2004 en 2005) zijn de rechten op levering van de aandelen tot zijn vermogen gaan behoren.
‘Geen heffingsmoment voor ib’
De afwikkeling van de claim in 2016 en 2017 levert aldus geen heffingsmoment op voor de inkomstenbelasting naar de mening van belanghebbende. Dit geldt ook voor de in 2010 toegekende aandelen. Ook hiervoor geldt dat het heffingsmoment voor de inkomstenbelasting niet later gelegen kan zijn dan drie jaren na toekenning van de aandelen in 2010, aldus de man.
Terecht loon uit tegenwoordige dienstbetrekking
Volgens de rechtbank heeft de inspecteur terecht het bedrag van € 151.920 terecht als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking aangemerkt in 2016.
De stelling van de man dat het bedrag al eerder vorderbaar en inbaar was faalt. Uit de Optional Schare Scheme van 25 augustus 2010 volgt dat de werknemer een recht verkrijgt op zogenoemde B Shares. De brief van 25 augustus 2010 vermeldt niet de entiteit waarin hij aandelen kan verkrijgen. Verder is gesteld noch gebleken dat dergelijke B Shares op enig tijdstip voorafgaand aan 2016 zijn uitgegeven en daarom bestonden.
Hieruit volgt al dat de levering van de aandelen niet direct afdwingbaar was op een tijdstip voorafgaand aan de betaling van het bedrag van € 151.920 in 2016. Ook de stelling dat sprake is van optierechten kan hem niet baten.
Het bedrag van € 151.920 is genoten in het jaar waarin het aan de man is betaald, te weten 2016.
Navorderingsaanslag 2016 te hoog vastgesteld
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur terecht het bedrag van € 1.868.988 terecht als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking aangemerkt in 2017.
Het bedrag van € 1.868.988 is geacht te zijn genoten in het jaar waarin het aan de man is betaald en in welk jaar daarnaast de Settlement Agreement is getekend, te weten: 2017. Dit brengt met zich dat de navorderingsaanslag voor 2016 te hoog is vastgesteld, nu de inspecteur het bedrag van € 1.868.988 eveneens – ter behoud van rechten – in dat jaar als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking had aangemerkt.
30%-regeling niet met terugwerkende kracht toepasbaar
De inspecteur is van mening dat de 30%-regeling niet met terugwerkende kracht in de Wet IB 2001 kan worden toegepast wanneer het loonbestanddeel niet door de werkgever is aangewezen.
Een vergoeding voor extraterritoriale kosten kan op grond van artikel 31a, tweede lid, aanhef en sub e, Wet LB als een ‘gerichte vrijstelling’ als eindheffingsbestanddeel worden aangemerkt mits de vergoeding door de inhoudingsplichtige als eindheffingsbestanddeel is aangewezen.
Niet aangewezen
Nergens blijkt uit dat de werkgever van de werknemer op de betalingen in 2016 en 2017 heeft aangewezen als een gerichte vrijstelling en ook niet als zodanig (op individueel administratief niveau) heeft verwerkt in de loonadministratie. Dit brengt met zich dat het gehele bedrag van de betalingen in 2016 en 2017 ter grootte van € 151.920 en € 1.868.988 heeft te gelden als loon in de zin van artikel 10 Wet LB.
30%-regeling n.v.t. op beide betalingen
Aangezien voor het loonbegrip in de inkomstenbelasting op grond van artikel 3.81 en artikel 3.84 Wet IB 2001 wordt aangesloten bij het loonbegrip voor de loonbelasting, werkt de keuze van de werkgever om de loonbestanddelen niet als eindheffingsbestanddeel aan te merken door naar de inkomstenbelasting. De 30%-regeling is dus niet van toepassing op beide betalingen.
Inkomstenbelasting navorderen mag
Als de inspecteur ervoor kiest inkomstenbelasting na te vorderen kan hem over het algemeen niet worden tegengeworpen dat hij ervoor had moeten kiezen loonbelasting na te heffen.
Ook de stelling van de man dat de keuze van de inspecteur om na te vorderen bij de man in plaats van na te heffen bij de werkgever tot onevenwichtige belastingheffing leidt kan hem niet baten.
Onder omstandigheden kunnen algemene beginselen van behoorlijk bestuur dwingen tot naheffing van loonbelasting. Dergelijke omstandigheden heeft de man niet gesteld en deze zijn de rechtbank ook niet gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.
Redelijke termijn overschreden
De inspecteur heeft het bezwaarschrift van de man ontvangen op 6 juli 2021. De periode tussen deze datum en de uitspraak van de rechtbank is (afgerond) 50 maanden. Dat is langer dan de redelijke termijn van twee jaren. De rechtbank ziet geen redenen om de redelijke termijn in dit geval langer of korter vast te stellen dan twee jaar. De redelijke termijn is dus met (afgerond) twee jaren en twee maanden overschreden. Naar boven afgerond is dat vijf keer een half jaar. Dit betekent een schadevergoeding van € 2.500.
Schadevergoeding betalen
De uitspraak op bezwaar van de inspecteur dateert van 12 mei 2023. Dit is afgerond zeventien maanden langer dan zes maanden na de ontvangst van het bezwaarschrift. De rechtbank veroordeelt de inspecteur daarom om de schadevergoeding aan de man te betalen ter grootte van € 1.635 (17/26 * € 2.500) en veroordeelt de Staat om de schadevergoeding aan de man te betalen ter grootte van € 865 (9/26 * € 2.500).
Navorderingsaanslag IB/PVV 2016 verminderd
Het beroep is gegrond voor zover het is gericht tegen de uitspraak op bezwaar voor wat betreft de navorderingsaanslag IB/PVV 2016.
De rechtbank vermindert het belastbaar inkomen uit werk en woning voor 2016 naar het bedrag van € 323.685 en vermindert de daarbij in rekening gebrachte belastingrente ook.
Uitspraak Rechtbank Gelderland, 26 augustus 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:7273

