Met ingang van 1 januari 2020 is geregeld dat op kalenderjaarbasis een bijtelling van 7% van de
waarde van de fiets geldt voor een fiets die door een werkgever ook voor privédoeleinden aan een
werknemer ter beschikking is gesteld.
Geen loon- en inkomstenbelasting verschuldigd
Het kabinet stelt voor om de bijtellingsregeling voor de fiets met terugwerkende kracht tot en met
1 januari 2020, invoeringsdatum van de regeling, aan te passen door expliciet te regelen dat als deelfietsen niet of slechts incidenteel (niet meer dan bijkomstig) bij het woon- of verblijfadres van de werknemer worden gestald een bijtelling van nihil geldt. Dit betekent dat over het gebruik van deze fietsen geen loon- en inkomstenbelasting is verschuldigd. Voor de aan een onder de inkomstenbelasting vallende ondernemer (IB-ondernemer) ter beschikking staande fiets wordt een soortgelijke wijziging voorgesteld.
Bijtelling van nihil
Voorstel in het Belastingplan 2026 is de bestaande bijtellingsregeling van de ter beschikking gestelde (elektrische) fiets van de zaak (artikel 13ter wet LB) te verduidelijken door expliciet te stellen dat voor deelfietsen een bijtelling van nihil geldt.
Aan artikel 13ter wordt een lid toegevoegd, luidende:
- Indien de fiets niet meer dan bijkomstig bij het woon- of verblijfadres van de werknemer
wordt gestald, wordt het voordeel in afwijking van het eerste lid gesteld op nihil. Van stallen wordt
geacht geen sprake te zijn indien de werknemer in de periode waarin de fiets zich bij het woon- of
verblijfadres bevindt niet de beschikkingsmacht over de fiets heeft.
Dit betekent dat over het gebruik van deze (deel)fietsen geen belasting verschuldigd is. Het doel van dit voorstel is om onduidelijkheid over belastbaarheid van door de werkgever ter beschikking gestelde deelfietsen weg te nemen.
Voor de in de inkomstenbelasting aan de belastingplichtige ter beschikking gestelde (deel)fiets wordt dezelfde wijziging voorgesteld (artikel 3.20a Wet IB).
Aan artikel 3.20a wordt een lid toegevoegd, luidende:
- Indien de fiets niet meer dan bijkomstig bij het woon- of verblijfadres van de belastingplichtige wordt gestald, wordt de onttrekking in afwijking van het eerste lid gesteld op nihil. Van stallen wordt geacht geen sprake te zijn indien de belastingplichtige in de periode waarin de fiets zich bij het woon-of verblijfadres bevindt niet de beschikkingsmacht over de fiets heeft.
Niet meer dan bijkomstig bij woon- of verblijfadres gestald
Een in de arbeidsvoorwaarden opgenomen hubfiets die alleen voor de voorgeschreven route stationwerkplek mag worden gebruikt is geen ter beschikking gestelde fiets. Het toepassen van een bijtelling is dan niet nodig. Hier bestaat echter onduidelijkheid over.
Voorgesteld wordt nu in het Belastingplan 2026 dit te verduidelijken door te bepalen dat voor de fiets die niet meer dan bijkomstig (dus niet meer dan 10%) bij het woon- of verblijfadres wordt gestald een bijtelling geldt van nihil. Dit geldt dus voor hubfietsen, dienstfietsen, ov-fietsen en andere deelfietsen.
Voor zover een deelfiets ook voor privédoeleinden wordt gebruikt, maar niet mee naar huis gaat, is sprake van een uitbreiding van de uitzondering op de bijtellingsregels, bijvoorbeeld omfietsen voor een privéboodschap.
Uit het voorstel volgt dat voor deelfietsen de fietsbijtelling niet meer geldt.
Als een door de werkgever ook voor privédoeleinden ter beschikking gestelde fiets regelmatig, bijvoorbeeld wekelijks (dus meer dan 10%), thuis wordt gestald, is de bijtelling van nihil niet van toepassing, maar zijn de reguliere bijtellingsregels voor de fiets van toepassing.
Bewijslast
De werkgever en werknemer zijn vrij om zelf te bepalen hoe zij aannemelijk maken dat sprake is
van een fiets waarvoor de bijtelling van nihil geldt. Dit kan bijvoorbeeld door het al dan niet bij de werknemer thuis mogen stallen van de ter beschikking gestelde fiets te omschrijven in de arbeidsvoorwaarden.
Een werkgever kan extra zekerheid inbouwen door bijvoorbeeld met de werknemers af te spreken dat zij een ter beschikking gestelde fiets niet mee naar huis mogen nemen. Het is ook mogelijk om een sleutelbeleid te hanteren, waarbij werknemers uiterlijk aan het eind van de werkdag de fietssleutel moeten inleveren, maar dit hoeft dus niet.
Bij een hubfiets (die gebruikt kan worden vanaf een hub vlakbij een plaats van werkzaamheden) is al snel aannemelijk dat de fiets niet mee naar huis gaat.
Voor een IB-ondernemer geldt dat hij bijvoorbeeld kan aantonen dat de fiets gestald staat bij het werkadres.
Doelmatig en doeltreffend
De aanpassing om deelfietsgebruik op nihil te waarderen past binnen de doelstelling om de regeling rechtvaardig, eenvoudig, uitvoerbaar en handhaafbaar te houden en maakt de regeling doeltreffender en doelmatiger.
Wetsvoorstel Belastingplan 2026

