Het Besluit verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties geeft nadere invulling aan de twee hoofdelementen waarmee in het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar) het ‘werken in dienst van (gezag)’ is verduidelijkt.
Vijf indicaties
In dit besluit zijn per hoofdelement vijf indicaties opgenomen die invulling geven aan het specifieke hoofdelement. De indicaties in deze AMvB, in combinatie met het wetsvoorstel Vbar, verduidelijken wanneer als werknemer moet worden gewerkt en wanneer als zelfstandige kan worden gewerkt.
Het besluit moet bijdragen aan herstel van de balans tussen het werken met zelfstandigen en als zelfstandige aan de ene kant, en het werken met en als werknemer(s) aan de andere kant.
Het besluit is belangrijk voor werkenden (zelfstandigen en werknemers), werkgevenden (opdrachtgevers en werkgevers) en intermediairs.
De einddatum van de internetconsultatie is 13 oktober 2025.
Werken in dienst van (gezag)
De wettelijke norm om werknemers van zelfstandigen te onderscheiden is op dit moment een open norm die door rechterlijke uitspraken (jurisprudentie) is ingekleurd. Met het wetsvoorstel Vbar wordt het meest onderscheidende wettelijke vereiste ‘werken in dienst van’ (gezag) uit artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek verduidelijkt. De jurisprudentie is ingedeeld aan de hand van twee hoofdelementen:
- werkinhoudelijke en organisatorische sturing; en
- werken voor eigen rekening en risico.
In dit besluit zijn deze hoofdelementen nader ingevuld met vijf indicaties per hoofdelement.
Ook is een bepaling opgenomen als sprake is van onvoorziene omstandigheden.
Artikelen besluit
De relevante artikelen van het besluit:
Artikel 1
Er is slechts sprake van werkinhoudelijke of organisatorische sturing door de werkgever als bedoeld in artikel 610, lid 2, aanhef en onderdeel a, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek indien:
a. de werkgever bevoegd is om aanwijzingen en instructies te geven over de wijze waarop de werknemer de werkzaamheden moet uitvoeren en de werknemer deze moet opvolgen;
b. de werkgever de mogelijkheid heeft om de werkzaamheden van de werknemer te controleren en bevoegd is om op basis daarvan in te grijpen;
c. de werkzaamheden worden verricht binnen het organisatorisch kader van de organisatie van de werkgever;
d. de werkzaamheden een structureel karakter hebben binnen de organisatie; of
e. de werknemer soortgelijke werkzaamheden verricht als andere werknemers.
Artikel 2
Er is slechts sprake van het voor eigen rekening en risico verrichten van de arbeid als bedoeld in artikel 610, lid 2, aanhef en onderdeel b, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek indien:
a. de financiële risico’s en resultaten van de werkzaamheden liggen bij degene die de arbeid verricht;
b. degene die de arbeid verricht zorgt voor een zelfstandige en voor derden als zodanig herkenbare uitvoering van de werkzaamheden;
c. degene die de arbeid verricht in het bezit is van een specifieke opleiding, werkervaring, kennis of vaardigheden, die in de organisatie waarin de arbeid wordt verricht niet structureel aanwezig is;
d. er sprake is van een korte duur van de opdracht of een beperkt aantal uren per week; of
e. er sprake is van kenmerken van degene die de arbeid verricht die wijzen op ondernemerschap voor soortgelijke werkzaamheden.
Artikel 3
In afwijking van de artikelen 1 en 2 kunnen onvoorziene omstandigheden bij de beoordeling of sprake is van werkinhoudelijke of organisatorische sturing door de werkgever als bedoeld in artikel 1 dan wel het verrichten van arbeid voor eigen rekening en risico als bedoeld in artikel 2 worden betrokken.
Besluit verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties

