Wel lagere boetes dan de minister heeft opgelegd zijn wel passend en geboden. De rechtbank stelt voor overtreding van de Wml de boete vast op € 22.500 en voor de overtreding van de Atw op € 7.500.
Waar gaat deze zaak over?
Een Chinees restaurant had in de onderzoeksperiode van de Nederlandse Arbeidsinspectie van 1 juni 2021 tot en met 30 november 2021 vier koks in dienst die in de keuken van het restaurant werkten. Ook had het restaurant in die periode werknemers in dienst in de bediening.
De rechtbank beoordeelt of de minister terecht boetes heeft opgelegd van € 40.000 voor overtreding van artikel 18b, tweede lid, van de Wml en van € 11.250 voor overtreding van artikel 4:3, eerste lid, van de Atw.
Daadwerkelijke werktijden niet te checken
Aan de Wml-boete heeft de minister ten grondslag gelegd dat uit het boeterapport Wml volgt dat de werkgever geen arbeidstijdenregistratie heeft bijgehouden van de vier koks. Hierdoor kan niet worden vastgesteld wat de daadwerkelijke werktijden zijn van de vier koks en kan niet worden gecontroleerd of de werkgever de bepalingen van de uitbetaling van het minimumloon en de minimumvakantiebijslag in de onderzoeksperiode van 1 juni 2021 tot en met 30 november 2021 heeft nageleefd.
Ook gelet op de verklaringen van de koks over hun gewerkte uren (namelijk dat zij andere en méér uren maakten dan hun vaste werkrooster), is het vaststellen van de daadwerkelijke werktijden noodzakelijk.
Hoogte boete
De hoogte van de boete heeft de minister op basis van de Beleidsregel bestuursrechtelijke handhaving Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag 2018 (de Beleidsregel Wml) bepaald aan de hand van de vastgestelde duur van de werkzaamheden van de vier koks in de onderzoeksperiode. Gelet op artikel 8 van de Beleidsregel Wml is het boetebedrag voor kok 1 vastgesteld op € 12.000, voor kok 2 op € 12.000, voor kok 3 op € 9.000 en voor kok 4 op € 7.000.
Geen begin-, eind- en rusttijden geregistreerd
Aan de Atw-boete heeft de minister ten grondslag gelegd dat uit het boeterapport Atw volgt dat de werkgever in de periode van 1 november 2021 tot en met 28 november 2021 de begin-, eind- en rusttijden van de werknemers (zowel van de koks als van de bediening) niet registreert, waardoor het niet mogelijk is een volledige inspectie uit te voeren naar de naleving van de Atw.
Hoogte boete
De hoogte van de boete heeft de minister op basis van de Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit 2013 (de Beleidsregel Atw) bepaald. Uit de Beleidsregel Atw volgt dat op overtreding van de verplichting om een arbeids- en rusttijdenregistratie bij te houden een boetenormbedrag staat van € 10.000.
De werkgever is gekwalificeerd als een middenbedrijf (factor 0,75) en omdat sprake is van een direct beboetbaar feit is de boete met een factor 1,5 verhoogd. Dit heeft geleid tot de vaststelling van de boete op € 11.250.
Opgave over gerealiseerde werktijden
Ingevolge artikel 18b, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wml rust op de werkgever de plicht om desgevraagd aan de toezichthouder een opgave over de gerealiseerde werktijden, dan wel andere bescheiden waaruit die gegevens blijken, te verstrekken.
De rechtbank oordeelt dat de werkgever niet aan deze wettelijke verplichting heeft voldaan.
Geen urenregistratie vanwege voltijds contracten
De wettelijk vertegenwoordiger van de werkgever heeft verklaard dat hij geen urenregistratie van de vier werknemers heeft bijgehouden omdat deze werknemers voltijds arbeidsovereenkomsten (38 uur) hadden. In feite stelt de werkgever daarmee dat hij ervan uitgaat dat de vier werknemers conform deze arbeidsovereenkomsten 38 uur per week werkten en het om die reden niet nodig was om de begin- en eindtijden van de gewerkte uren afzonderlijk te registreren. Dat is echter onvoldoende om aan de wettelijke verplichtingen van de Wml te voldoen omdat op deze wijze geen effectief toezicht kan worden gehouden op de naleving van de Wml.
Niet vast te stellen of minimumloon is betaald
Ook de overgelegde loonstroken en bewijzen van het giraal overmaken van het loon zijn hiervoor onvoldoende. Zonder een registratie van de begin- en eindtijden van het werk kan op basis van deze stukken immers niet worden vastgesteld of de daadwerkelijk gewerkte uren ertoe leiden dat personeelsleden ten minste het minimumloon uitbetaald hebben gekregen.
Meer uren gewerkt dan volgens arbeidsovereenkomst
Daar komt bij dat de minister heeft toegelicht dat de Arbeidsinspectie, gelet op de verklaringen van de vier koks over hun werktijden, twijfels had over de verklaring van de werkgever dat de koks overeenkomstig hun arbeidsovereenkomst niet meer dan 38 uur werkten.
Gelet op de verklaringen van de koks in het boeterapport Wml, vindt de rechtbank die toelichting van de minister een begrijpelijke aanvullende reden om de overgelegde stukken onvoldoende te achten. Zo hebben een paar koks verklaard over schoonmaakwerkzaamheden vóór de gebruikelijke aanvangstijd gedurende een periode op vrijdag en over het soms eerder dan om 22:00 uur stoppen met werken als het rustig was. Ook hebben koks verklaard meer uren te hebben gewerkt dan volgt uit hun arbeidsovereenkomst.
Ontbrekende urenregistratie voor rekening werkgever
Gelet op de verantwoordelijkheid van de werkgever komt het voor zijn rekening en risico dat door het ontbreken van een urenregistratie van de daadwerkelijk gewerkte uren niet kan worden gecontroleerd of het uitbetaalde aantal uren correspondeert met het gewerkte aantal uren (en of het werkrooster dus daadwerkelijk is nagevolgd in de praktijk) en of de verklaringen van de werknemers juist zijn en meer uren zijn gewerkt dan er zijn uitbetaald. Dat in de horecasector doorgaans niet met dergelijke urenregistraties wordt gewerkt, is niet van doorslaggevend belang. Dat de werktijden werden geregistreerd in een werkrooster via de (Chinese) chatapp WeChat en dat die gegevens door de werkgever niet zijn bewaard, komt gelet op deze verantwoordelijkheid van de werkgever ook voor zijn risico.
Geen vereiste bewijsstukken
De stelling van de werkgever dat het onderzoek door de Arbeidsinspectie op basis waarvan de boete is opgelegd dusdanig onzorgvuldig is geweest, dat de minister niet tot vaststelling van de overtredingen kon komen, volgt de rechtbank niet. De overtreding is vastgesteld omdat de werkgever niet de vereiste bewijsstukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij de Wml heeft nageleefd.
De minister heeft terecht gemotiveerd dat de omstandigheid dat tegenstrijdig is verklaard eens te meer reden is om van de werkgever te verlangen dat zij een correcte urenregistratie bijhoudt van de daadwerkelijk gewerkte uren.
De minister heeft terecht vier overtredingen van de Wml vastgesteld voor de vier koks.
Deugdelijke registratie arbeids- en rusttijden verplicht
Uit artikel 4:3, eerste lid, van de Atw volgt dat op de werkgever de plicht rust om een deugdelijke registratie te voeren van de arbeids- en rusttijden die het toezicht op de naleving van de Atw en de daarop berustende bepalingen mogelijk maakt.
Tussen partijen is in geschil of de vaste werktijden van de koks (met een voltijdscontract) en de urenregistratie op papier van de werknemers uit de bediening (met een nulurencontract) een afdoende deugdelijke registratie in de zin van deze bepaling vormen.
Geen registratie van arbeids- en rusttijden
Volgens de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de wijze van administratie in dit geval niet afdoende is. Uit de memorie van toelichting bij dit artikel volgt dat de registratie deugdelijk is als per individuele werknemer de begin- en eindtijden en de pauzes kunnen worden afgeleid. Dat in de horecasector doorgaans niet met dergelijke urenregistraties wordt gewerkt, is niet van doorslaggevend belang.
Dat het onderzoek door de Arbeidsinspectie op basis waarvan de boete is opgelegd dusdanig onzorgvuldig zou zijn, dat de minister niet tot vaststelling van de overtredingen kon komen, volgt de rechtbank niet.
De overtreding is vastgesteld omdat de werkgever wordt verweten dat hij van de koks in het geheel geen registratie van de arbeids- en rusttijden heeft bijgehouden waardoor toezicht op de naleving van de Atw niet mogelijk was. Dat sprake zou zijn van tegenstrijdige verklaringen over de gewerkte tijden maakt niet dat het boeterapport niet aan de boete ten grondslag kan worden gelegd.
De minister heeft terecht een overtreding van de Atw vastgesteld.
Boetes
De werkgever stelt in beroep dat de hoogte van de boetes niet evenredig is.
Op basis van wat de werkgever naar voren heeft gebracht komt de rechtbank niet tot het oordeel dat de Beleidsregel Wml of de Beleidsregel Atw onredelijk zijn.
Geen middenbedrijf maar kleinbedrijf
Ten aanzien van de Atw-boete oordeelt de rechtbank dat de minister ten onrechte op basis van de Beleidsregel Atw de boetegrondslag van ‘middenbedrijf’ heeft gekozen. Uit rechtspraak volgt dat bij de bepaling van de bedrijfsgrootte voor de bepaling van de hoogte van de boete niet alleen het aantal werknemers van belang is, maar dat ook van belang kan zijn of een relevant aantal parttimers in een bedrijf werkt.
De werkgever exploiteert één restaurant. Gelet hierop acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat het in de KvK ingeschreven aantal werknemers een reëel beeld geeft van de bedrijfsomvang van de werkgever in de te beoordelen periode. De werkgever moet dus op basis van de Beleidsregel worden aangemerkt als kleinbedrijf.
De rechtbank stelt daarmee de boete vast op € 7.500. Voor verder matigen van deze boete ziet de rechtbank geen grondslag.
Wml-boete omlaag
Ten aanzien van de Wml-boete oordeelt de rechtbank dat de opgelegde boetebedragen van € 12.000 voor kok 1, € 12.000 voor kok 2, € 9.000 voor kok 3 en € 7.000 voor kok 4 toch niet tot een passende sanctie leiden.
Daartoe acht de rechtbank het volgende van belang. Als de werkgever een registratie van begin-, eind- en pauzetijden van de koks en het bedienend personeel had bijgehouden, hadden beide overtredingen kunnen worden voorkomen. Ook uit de motivering die de minister aan beide overtredingen ten grondslag heeft gelegd volgt dat de werkgever beide overtredingen had kunnen voorkomen met één goed ingerichte administratie van de daadwerkelijk gewerkte uren van alle werknemers.
In dit geval bestaat er daarom een zodanige samenhang tussen de Atw-boete en de Wml-boete, dat de boetes – ook na verlaging van de Atw-boete naar € 7.500 – niet in redelijke verhouding staan tot de omvang van de overtredingen. Ook de door de minister opgelegde Wml-boete kan dus geen stand houden. In dit geval acht de rechtbank een Wml-boete van in totaal € 22.500 passend en geboden. Er bestaat geen aanleiding tot het verder matigen van deze boete.
Uitspraak Rechtbank Rotterdam, 6 augustus 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:10158

