Een man is op 1 september 1979 in dienst getreden bij de gemeente en aansluitend in dienst geweest bij bedrijf 1. De aandelen/activiteiten van bedrijf 1 zijn overgenomen door de nv.
Op 30 september 2010 is tussen de man en de nv (mede namens bedrijf 1 ) een vaststellingsovereenkomst gesloten. Daarbij is overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst tussen de man en bedrijf 1 per 1 februari 2011 met wederzijds goedvinden eindigt.
Verder staat in de vaststellingsovereenkomst onder meer opgenomen dat conform de cao op de WW-uitkering en bovenwettelijke uitkering van de werknemer de ‘Regeling bovenwettelijke aanspraken bij werkloosheid bedrijf 1’ van toepassing is.
Bovenwettelijke afspraken bij werkloosheid
In de Regeling bovenwettelijke aanspraken bij werkloosheid van bedrijf 1 van juni 2001 (USZO-regeling) staat onder meer opgenomen:
“De berekeningsgrondslag wordt steeds herzien overeenkomstig een algemene salariswijziging in de CAO van bedrijf 1.”
De oud-werknemer heeft vanaf 1 februari 2011 aanspraak gemaakt op een WW-uitkering, aangevuld door een bovenwettelijke uitkering uit hoofde van de bovenwettelijke werkloosheidsregeling. De man behoudt dit recht tot 20 juli 2026, zijn AOW-gerechtigde leeftijd.
Indexatie bovenwettelijke uitkering
Op 28 januari 2024 heeft de man contact opgenomen met de senior medewerker Payroll Control bij de nv en gevraagd om hem duidelijkheid te geven over de indexatie van de bovenwettelijke uitkering.
Kern van het geschil tussen partijen is of de nv gehouden is om een indexatie toe te passen op de bovenwettelijke werkloosheidsregeling die de man ontvangt.
De oud-werknemer stelt dat hij recht heeft op indexatie van de bovenwettelijke uitkering die hij ontvangt. De indexatieafspraak ligt volgens hem vast in de vaststellingsovereenkomst en de USZO-regeling. Omdat de activiteiten van bedrijf 1 zijn beëindigd en op het personeel dat is overgedragen de cao Openbaar Vervoer (CAO OV) van toepassing is verklaard, spreekt het volgens de man voor zich dat voor wat de berekeningsgrondslag in het kader van de vaststellingsovereenkomst de cao van bedrijf 1 wordt opgevolgd door de CAO OV en/of wordt gerelateerd aan de salariswijzigingen die zijn opgenomen in de CAO OV.
De kantonrechter oordeelt dat in de vaststellingsovereenkomst is bepaald dat de CAO-bedrijf 1 van toepassing is en dat er conform de CAO-bedrijf 1 sprake is van een bovenwettelijke uitkering. Op de bovenwettelijke uitkering is de USZO-regeling van toepassing.
Bovenwettelijke uitkering
Tussen partijen staat vast dat de nv op grond hiervan gehouden is tot betaling van een bovenwettelijke uitkering aan de man. De (oorspronkelijke) berekeningsgrondslag is vastgesteld per 1 februari 2011. De man betwist die berekeningsgrondslag niet. De nv betaalt deze ook aan de man.
De vaststellingovereenkomst bepaalt alleen dat de bovenwettelijke regeling van toepassing is. In de vaststellingsovereenkomst zelf staat verder niets vermeld over enige indexatie van de bovenwettelijke uitkering. Dat sprake is/kan zijn van een indexatie van de bovenwettelijke uitkering volgt niet zelfstandig uit de vaststellingsovereenkomst. Daarvoor is bepalend hetgeen in de UZSO-regeling is vastgelegd.
Berekeningsgrondslag indexeren
Volgens de USZO-regeling moet de berekeningsgrondslag – die in deze zaak per 1 februari 2011 is vastgesteld – wel steeds worden herzien, geïndexeerd. Dit moet overeenkomstig een algemene salariswijziging in de cao van bedrijf 1. Deze bepaling in de USZO-regeling moet worden uitgelegd volgens de CAO-norm.
In artikel H jo. M van de vaststellingsovereenkomst is uitdrukkelijk bepaald dat de man nog slechts aanspraken kan ontlenen aan de vaststellingsovereenkomst en aan de USZO-regeling. In artikel 3 van de regeling is bepaald onder welke voorwaarden het loon, waarop de bovenwettelijke uitkering van de man is gebaseerd, wordt aangepast. Het komt daarmee naar het oordeel van de kantonrechter aan op uitleg van artikel 3 van de regeling.
Cao-norm
Omdat de regeling een bijlage is bij de cao en de rechtspositie van derden (namelijk werknemers die niet bij de totstandkoming van de regeling waren betrokken) regelt, moet artikel 3 van de regeling worden uitgelegd aan de hand van de cao-norm.
Geen salariswijziging betekent geen indexatie
De regeling moet zo worden uitgelegd dat alleen sprake kan zijn van indexatie/herziening van de berekeningsgrondslag als sprake is van een salariswijziging in de CAO-bedrijf 1. Uit artikel 3 kan niet worden afgeleid dat er een algemeen recht bestaat op indexatie. Bij gebrek aan enige loonaanpassing in de CAO-bedrijf 1 kan ook geen sprake zijn van een herziening. De CAO-bedrijf 1 is na 2006 niet meer gewijzigd. Er hebben daarin geen salariswijzigingen meer plaatsgevonden. Dit betekent dat er ook geen sprake kan zijn van een indexatie/herziening van de berekeningsgrondslag van de bovenwettelijke uitkering.
Geen aansluiting met CAO OV
Volgens de man moet voor de indexatie echter worden aangesloten bij de CAO OV. Ook hierin volgt de kantonrechter de man niet. Onweersproken is dat op 1 januari 2007 de aandelen van bedrijf 1 zijn overgenomen. Vanaf dat moment is de CAO- bedrijf 1 niet meer aangepast. Sinds 2008 is het rijdend personeel overgegaan naar de CAO OV. Dat geldt niet voor indirect personeel, waaronder de man valt.
CAO OV niet van toepassing
Op het moment van sluiten van de vaststellingsovereenkomst in 2010 viel de man nog onder de CAO- bedrijf 1 en zijn er afspraken gemaakt over de beëindiging van het dienstverband. Naar aanleiding van (latere) afspraken met de bonden in 2012 is de CAO OV ook op de indirecte medewerkers die herplaatst zijn binnen het concern van toepassing verklaard. De man was toen niet meer in dienst. De CAO OV is dan ook nooit op de man van toepassing geweest.
Niet meer geactualiseerd
Als bekend moet worden verondersteld dat ten tijde van het overeenkomen van de vaststellingsovereenkomst in 2010 de CAO-bedrijf 1 niet meer werd geactualiseerd. De CAO-bedrijf 1 liep feitelijk tot in 2006. Er zijn in de periode 2006 tot 2010 voor de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst immers geen salariswijzigingen op basis van die CAO-bedrijf 1 meer doorgevoerd.
Geen nadere afspraken gemaakt
De man is met betrekking tot de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst bijgestaan door een gemachtigde. Het had op de weg van de man gelegen om als hij recht had willen houden of verkrijgen op indexatie van de bovenwettelijke uitkering, hij op dat moment daarover nadere afspraken had gemaakt, bijvoorbeeld door naast de CAO-bedrijf 1 aansluiting te verlangen bij de CAO OV voor wat de algemene salarisverhogingen betreft. Het rijdend personeel was toen immers al over naar de CAO OV. Kennelijk was er op dat moment echter geen aanleiding om de CAO OV van toepassing te verklaren op de vaststellingsovereenkomst, hetgeen ook begrijpelijk was temeer omdat in de CAO OV de regeling van de bovenwettelijke uitkering ontbreekt.
Rechten bij overname ‘bevroren’
Als alleen de CAO OV van toepassing was verklaard op de man dan had hij in het geheel geen aanspraak kunnen maken op een bovenwettelijke uitkering. Ook is onweersproken door de nv gesteld dat bij de overname van bedrijf 1 is afgesproken dat zij de rechten voortvloeiend uit de CAO-bedrijf 1 zou respecteren, maar dat de rechten bij de overname wel zijn ‘bevroren’, zo ook de rechten die voortvloeien uit de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering. De CAO-bedrijf 1 is dan ook niet opgegaan in de CAO OV.
De kantonrechter ziet dan ook geen aanleiding om voor de indexatie de algemene salarisverhogingen uit de CAO OV van overeenkomstige toepassing te verklaren.
Geen onvoorziene omstandigheden
De man heeft zich nog beroepen op dwaling dan wel onvoorziene omstandigheden. Dit beroep slaagt niet. Volgens de man kan de nv de man niet houden aan de afspraak dat de indexatie alleen kan plaatsvinden op basis van de CAO-bedrijf 1.
Bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst was al duidelijk dat de CAO-bedrijf 1 een slapend bestaan leidde en van salarisverhogingen al lange tijd geen sprake meer was. Dat maakt dat deze omstandigheid dus niet onvoorzien was.
Dwaling uitgesloten in vso
Voor wat betreft de dwaling geldt dat deze, wat hier verder ook van zij, is uitgesloten in de vaststellingsovereenkomst. Daarnaast werd de man tijdens de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst bijgestaan door een gemachtigde en heeft hij onvoldoende onderbouwd dat hij bij een juiste voorstelling van zaken de vaststellingsovereenkomst niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten. Dat had, temeer omdat de CAO OV de bovenwettelijke regeling niet kent, wel van de man mogen worden verwacht.
Uitspraak Rechtbank Midden-Nederland, 21 mei 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:2154

