De werknemer steekt onder werktijd een zelf geassembleerde vuurwerkbom aan met als doel om deze naar een steiger, waarop collega’s aan het werk waren, te gooien. Het vuurwerk ontploft in de hand van de werknemer, met ernstig letsel tot gevolg. Het handelen van de werknemer is, zeker aangezien hij al herhaaldelijk door de werkgever is aangesproken op het afsteken van vuurwerk, ernstig verwijtbaar. Het ontbindingsverzoek van de werkgever wordt toegewezen.
De kantonrechter moet beoordelen of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.
Partijen verschillen van mening over de toedracht van het vuurwerkongeval van 8 januari 2025. Niet is komen vast te staan dat de werknemer, zoals de werkgever heeft gesteld, die dag zelf in zijn bedrijfsbus een vlinderbom of ander illegaal zwaar vuurwerk heeft meegenomen naar de projectlocatie en daar tot ontploffing heeft gebracht.
Zelf geassembleerde vuurwerk aangestoken
Wel heeft de werknemer erkend dat hij lichter vuurwerk – te weten: knetterballetjes en knetterlinten – heeft meegenomen naar de werklocatie. De werknemer heeft gezegd dat hij knetterballetjes en een knetterlint in een kartonnen koker heeft gestopt, waarvan hij dacht dat het een restant was van (afgestoken) vuurwerk. Hij heeft dit zelf geassembleerde vuurwerk aangestoken.
Zware ontploffing
Van de kant van de werknemer is aangevoerd dat in de kartonnen koker vermoedelijk nog kruitresten hebben gezeten, gelet op de zwaarte van de ontploffing. Uitgaande van die toedracht, valt de werknemer ernstig te verwijten dat hij geen rekening heeft gehouden met mogelijke kruitresten toen hij gebruik maakte van een op straat aangetroffen restant van al dan niet afgestoken vuurwerk.
De werknemer heeft in ieder geval zo’n zware ontploffing veroorzaakt dat niet alleen een deel van zijn eigen hand maar ook een autoruit van een bedrijfsauto is weggeblazen en zijn collega, de inzittende van die auto, door glasscherven werd geraakt.
Blootgesteld aan ernstig gevaar
De werknemer heeft daarmee zichzelf en een ander blootgesteld aan ernstig gevaar, óók als hij, zoals hij heeft aangevoerd, niet op een halve meter maar op 3 à 4 meter afstand van de bedrijfsauto stond. Dat de werknemer van plan was het aangestoken vuurwerk naar een steiger te gooien waarop zijn collega’s aan het werk waren maakt de kwestie alleen maar erger.
Geen vuurwerk op de zaak
Verder is van belang dat de werknemer in januari 2024 te horen had gekregen dat hij geen vuurwerk op het werk moest afsteken en dat de bedrijfsleider op 6 januari 2025 opnieuw heeft gezegd dat hij geen vuurwerk op de zaak wenste. Zelfs als dat een algemene, niet specifiek aan hem gerichte opmerking was, heeft de werknemer die opmerking gehoord, moet de strekking ervan hem duidelijk zijn geweest en moet hij hebben begrepen dat die opmerking óók voor hem gold.
Ernstig verwijtbaar gehandeld
Dit alles maakt dat de werknemer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en wel zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
De kantonrechter stelt vast dat het ontbindingsverzoek geen verband houdt met enig opzegverbod. De werknemer is ongeschikt tot het verrichten van zijn arbeid vanwege zijn letsel, maar dat is niet de reden voor (het verzoek tot) ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Verder ligt herplaatsing van de werknemer bij deze stand van zaken niet in de rede. Het primaire verzoek van de werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de e-grond is toewijsbaar.
Wel transitievergoeding
Rekening houdend met het handelen van de werknemer maar ook met de verdere omstandigheden van de zaak is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar geen transitievergoeding toe te kennen. Van belang daarbij is dat de werknemer zelf blijvend ernstige gevolgen van zijn handelen ondervindt. Hij krijgt een prothese aangemeten en zal moeten revalideren. Hij verwacht over een jaar weer aan het werk te kunnen. De man is 38 jaar en heeft de zorg voor 5 kinderen. Het is van groot belang is voor de werknemer zelf, voor zijn gezin en kinderen en voor de maatschappij dat hij weer aan het werk komt.
De werkgever heeft echter geen enkele invulling gegeven aan de op hem rustende revalidatieverplichtingen, maar heeft zich uitsluitend gericht op beëindiging van het dienstverband.
Toepassing gevend aan artikel 7:673 lid 8 BW (niet toekennen transitievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar) wordt bepaald dat de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd is. Voor toekenning van een billijke vergoeding geven de feiten en omstandigheden alles bij elkaar geen aanleiding.
Geen schadevergoeding
Het verzoek tot toekenning van een schadevergoeding aan de werkgever wijst de kantonrechter af. Uit hetgeen tussen partijen is komen vast te staan kan niet worden opgemaakt dat de door de werknemer aan de werkgever toegebrachte schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid.
Uitspaak Rechtbank Den Haag, 30 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11123

