De werknemer beroept zich op artikel 17 van de cao GGZ dat bepaalt dat zij ieder jaar recht heeft op een eindejaarsuitkering.
De werkgever betwist dat de cao GGZ van toepassing is op de arbeidsovereenkomst van de werknemer. Hij voert daarvoor aan dat de werknemer laatstelijk feitelijke werkzaamheden verrichtte voor bedrijf 1 (vóór de echtscheiding) en dat voor werk bij bedrijf 1 de cao GGZ niet geldt. Verder voert hij aan dat de cao GGZ voor de werkgever pas geldt vanaf 2021. Daarvóór gold de cao niet, omdat in vrijstellingsbesluiten was bepaald dat de cao toen niet van toepassing was op praktijken zoals die van de werkgever.
Op arbeidsrelatie is cao van toepassing
De kantonrechter overweegt dat de werkgever en de werknemer een arbeidsovereenkomst hebben gesloten. Als de werknemer feitelijk (ook) voor bedrijf 1 heeft gewerkt, verandert dat niet dat er een arbeidsovereenkomst is tussen de werkgever en de werknemer. Op die arbeidsrelatie is de cao GGZ van toepassing.
Cao ook vóór 2021 van toepassing
Volgens de werkgever gold vóór 2021 de cao niet voor de werkgever vanwege vrijstellingsbesluiten, maar een nadere toelichting welke besluiten dat waren en wat daarin is bepaald, heeft hij niet gegeven. Hij stelt op dat onderdeel onvoldoende, zodat dat verweer wordt gepasseerd. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat de cao GGZ ook vóór 2021 van toepassing was op de arbeidsovereenkomst van de werkgever en de werknemer.
Artikel 17 cao GGZ
Artikel 17 van de cao GGZ luidt, voor zover van belang:
“1.De werknemer ontvangt een eindejaarsuitkering van 8,33% van zijn jaarsalaris.
2.Onder jaarsalaris wordt verstaan het feitelijke door de werknemer in dat jaar verdiende salaris (hoofdstuk 11, artikel 16) over de periode tussen 1 januari en 31 december van het betreffende kalenderjaar.
3.De eindejaarsuitkering wordt in de maand december aan de werknemer uitbetaald. (…).
(…)”
Elk jaar recht op eindejaarsuitkering
De werknemer heeft dus elk jaar recht op een eindejaarsuitkering van 8,33% over haar feitelijk loon dat jaar.
De werkgever heeft nog gesteld dat de eindejaarsuitkering al in het loon is verdisconteerd, maar dat blijkt niet uit het convenant of de arbeidsovereenkomst. Feiten en omstandigheden waaruit iets anders blijkt, heeft de werkgever niet gesteld en evenmin zijn die gebleken.
Het is voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure de rechter de, qua berekening niet weersproken, eindejaarsuitkeringen zal toewijzen, met dien verstande dat de werknemer eindejaarsuitkering voor 2024 wordt berekend over het loon tot 1 juni 2024.
Berekening eindejaarsuitkering
Uitgaande van de gevorderde eindejaarsuitkering voor heel 2024 ad € 1.854,26 komt de eindejaarsuitkering berekend tot 1 juni 2024 uit op € 772,61 (€ 1.854,26 / 12 maanden * 5 maanden).
De kantonrechter wijst daarom toe:
- € 1.565,16 voor 2020;
- € 1.585,51 voor 2021;
- € 1.628,32 voor 2022;
- € 1.789,51 voor 2023; en
- € 772,61 voor 2024
In totaal € 7.341,11. De gevorderde rente is ook toewijsbaar.
Wettelijke verhoging
Op grond van artikel 17 lid 3 van de cao had de werkgever de eindejaarsuitkeringen ieder jaar in december moeten betalen. Omdat hij dat niet heeft gedaan, is hij de wettelijke verhoging verschuldigd. Het is aannemelijk dat in een bodemprocedure de wettelijke verhoging wordt gematigd tot 25%, oftewel tot een bedrag van € 1.835,28 (€ 7.341,11 * 0,25). De kantonrechter wijst dit bedrag en de daarover gevorderde rente toe.
Uitspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 20 juni 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:3903

