De werknemer heeft een jaar bij de werkgever gewerkt. In de arbeidsovereenkomst staat dat de werknemer naast de maandelijkse loonbetalingen ook recht heeft op een eindejaarsuitkering. Deze heeft hij nooit ontvangen. In deze procedure vordert de werknemer betaling van die eindejaarsuitkering.
Waar gaat deze zaak over?
Op 8 januari 2024 is de werknemer in dienst getreden als analist bij de werkgever op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar. In de arbeidsovereenkomst tussen partijen is in artikel 5.2 het volgende opgenomen:
“5.2 Werknemer wordt aan het einde van een kalenderjaar pro rata een discretionaire eindejaarsuitkering van één maandsalaris bruto verstrekt. De discretionaire eindejaarsuitkering wordt bepaald op basis van de door de Werkgever nader te bepalen door Werknemer te behalen jaaromzet, inzet van de Werknemer en de kwaliteit van het werk van de Werknemer.”
Op 4 december 2024 heeft de werknemer aangegeven na afloop van zijn arbeidsovereenkomst niet langer in dienst te willen blijven bij de werkgever. De arbeidsovereenkomst tussen de werkgever en de werknemer is met ingang van 7 januari 2025 geëindigd.
In een gesprek van 20 december 2024 is aan de werknemer door de werkgever verteld dat hij geen eindejaarsuitkering zou krijgen.
De werknemer stelt dat hij op basis van artikel 5.2 uit de arbeidsovereenkomst recht heeft op een eindejaarsuitkering over 2024 van € 3.655,72 bruto (359/366e deel) en over 2025 van € 71,48 bruto (7/365e deel).
Discretionaire bevoegdheid
De werkgever heeft aangegeven dat het uitkeren van de eindejaarsuitkering een discretionaire bevoegdheid is van de werkgever.
De discretionaire bevoegdheid is de vrije beslissingsruimte van een werkgever om naar eigen inzicht beslissingen te nemen, zoals het toekennen van een eindejaarsuitkering.
Prestaties onvoldoende ontwikkeld
Volgens de werkgever hebben de prestaties van de werknemer zich niet naar verwachting ontwikkeld, bleven zijn prestaties achter ten opzichte van andere analisten, stond het salaris van de werknemer niet in verhouding tot zijn prestaties en waren er door de tragere ontwikkeling van de werknemer in zijn functie meer tijd en middelen nodig voor de begeleiding en ondersteuning en hebben deze omstandigheden er geleid tot het besluit aan de werknemer geen eindejaarsuitkering uit te keren.
Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst de werkgever in deze brief onder meer naar de functioneringsgesprekken van 8 en 21 augustus 2024 die met de werknemer zijn gevoerd.
De kantonrechter is van oordeel dat de werkgever op grond van artikel 5.2 gehouden is de eindejaarsuitkering aan de werknemer uit te betalen.
Goed werkgeverschap
In de arbeidsovereenkomst tussen de werkgever en de werknemer is het uitkeren van de eindejaarsuitkering opgenomen als een discretionaire bevoegdheid. Dat is op zichzelf een bevoegdheid die een werkgever zich mag voorbehouden, maar dit betekent niet dat het gebruikmaken van deze bevoegdheid onbegrensd is. Deze bevoegdheid is namelijk onderworpen aan de eisen van goed werkgeverschap.
Prestaties blijven niet achter
Uit de verslagen van de functioneringsgesprekken van 8 en 21 augustus 20243 blijkt dat er in het functioneren van de werknemer aspecten zijn waarin de werknemer zich (nog) verder kan ontwikkelen. Dit is ook niet vreemd aangezien de werknemer nog maar kort werkte in deze functie bij de werkgever. Dat de prestaties van de werknemer zouden achterblijven ten opzichte van de andere analisten, blijkt niet uit dit verslag.
Waarom besloten tot niet uitkeren?
Verder brengen de eisen van goed werkgeverschap met zich mee dat goed gemotiveerd moet worden waarom op grond van de discretionaire bevoegdheid is besloten tot het niet uitkeren van de contractuele eindejaarsuitkering. Dat is door de werkgever niet gedaan. Pas in de brief van 30 januari 2025 komt hier duidelijkheid over. Dat was nadat de arbeidsovereenkomst al van rechtswege was geëindigd en ook nadat al ruim een maand eerder – zonder toelichting – aan de werknemer was verteld dat hij geen eindejaarsuitkering zou krijgen.
Eindejaarsuitkering betalen
De kantonrechter oordeelt dat de werkgever door met een beroep op zijn discretionaire bevoegdheid geen eindejaarsuitkering aan de werknemer toe te kennen in strijd met de eisen van goed werkgeverschap handelt. De werkgever moet daarom aan de werknemer alsnog de eindejaarsuitkering uitbetalen. Het gaat om een bedrag van in totaal € 3.727,20 bruto aan eindejaarsuitkering.
De werkgever wordt ook veroordeeld om aan de werknemer een gespecifieerde opgave te verstrekken van de betaling van de eindejaarsuitkering aan de werknemer.
Geen wettelijke verhoging
De kantonrechter ziet aanleiding om de gevorderde wettelijke verhoging over de eindejaarsuitkering af te wijzen. Het gaat hier niet om uitkering van het reguliere (maandelijks uit te betalen) loon, maar om een bonusbedrag dat in één keer wordt uitbetaald. Het niet-betalen van dit bedrag komt voort uit een – naar nu blijkt – onjuist gebleken standpunt van de werkgever.
Uitspraak Rechtbank Midden-Nederland, 17 juni 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:3744

