Werkgevers zijn vanaf 1 januari 2027 een heffing verschuldigd van 12% over de cataloguswaarde als zij een fossiele personenauto ter beschikking stellen aan hun werknemer en de werknemer deze fossiele personenauto ook voor privédoeleinden (waaronder woon-werkverkeer) kan gebruiken. Voor bestaande gebruikers geldt een overgangsrecht.
Het doel van deze pseudo-eindheffing fossiele personenauto’s is om werkgevers te stimuleren alleen nog elektrische auto’s aan te bieden, zodat de ingroei van elektrische auto’s in de zakelijke markt versnelt en daarmee vervolgens op de tweedehandsmarkt.
Het is een ingrijpende maatregel en daarom is het belangrijk om zorgvuldig te kijken naar hoe deze maatregel uitpakt in de praktijk.
Gesprekken leiden tot aanpassingen
Tijdens de behandeling van het Belastingplan 2026 daarom al aangekondigd in gesprek te gaan met de sector over eventuele knelpunten. Daarnaast wordt bezien of de werking van de pseudo-eindheffing in de praktijk kan worden verbeterd. Ook de aangenomen motie van de leden Van Dijk en Van Eijk riep hiertoe op.
De afgelopen maanden zijn meerdere gesprekken gevoerd met de sector. Deze gesprekken hebben ertoe geleid dat het kabinet de vormgeving van de pseudo-eindheffing fossiele personenauto’s op een aantal punten wil aanpassen.
Door de aanpassingen die het kabinet voorstelt, sluit de beoogde werking van de pseudo-eindheffing beter aan op de praktijk. Deze aanpassingen passen binnen de budgettaire effecten van de regeling, die vorig jaar zijn geraamd.
Uit de gesprekken bleek ook de wens om de bekendheid met deze regeling onder werkgevers te vergroten. Het kabinet gaat daarom aan de slag met een informatiecampagne.
1 Tijdelijke vervanging uitgesloten
Als eerste aanpassing wordt bij tijdelijke vervanging van een ‘vaste’ auto, vanwege schade, reparatie, onderhoud of bandenwissel de vervangende auto uitgesloten van de pseudo-eindheffing. Deze uitzondering geldt voor een periode van maximaal 14 aaneengesloten kalenderdagen.
Met deze maatregel wordt voorkomen dat een werkgever die een nulemissieauto ter beschikking stelt, alsnog pseudo-eindheffing verschuldigd is als de vervangende auto een fossiele personenauto is. Daarnaast kan worden voorkomen dat een werkgever in hetzelfde tijdvak voor zowel de vaste auto als de vervangende auto pseudoeindheffing verschuldigd is. Hiermee wordt ook tegemoet gekomen aan garagebedrijven die meer tijd krijgen om hun vervangend vervoer te elektrificeren.
2 Overgangstermijn verlengd naar 1 januari 2031
Ten tweede wordt de overgangstermijn van de pseudo-eindheffing verlengd van 17 september 2030 naar 1 januari 2031. Dit is een administratieve lastenverlichting voor het bedrijfsleven, omdat nu niet gedurende het boekjaar hun administratie op dit vlak moet worden aangepast. De verruiming van de overgangstermijn is met drie maanden beperkt en heeft daarom naar verwachting geen gevolgen voor de overheidsinkomsten en de beoogde klimaateffecten.
3 Beperkte vrijstelling terbeschikkingstelling max. 7 dagen
Ten derde wordt een beperkte vrijstelling geïntroduceerd voor een terbeschikkingstelling voor één periode van maximaal 7 aaneengesloten dagen per kalenderjaar. Deze vrijstelling vervalt per 1 januari 2031, net als het algemene overgangsrecht onder de pseudo-eindheffing.
Hiermee komt het kabinet tegemoet aan de zorgen dat tijdelijk vervoer – zoals huurauto’s – al per 1 januari 2027 volledig moeten elektrificeren. Op deze auto’s is het overgangsrecht veelal niet van toepassing, omdat in veel gevallen sprake is van een eerste terbeschikkingstelling van na 1 januari 2027.
Met deze beperkte vrijstelling kunnen werkgevers tot 1 januari 2031 elk kalenderjaar voor één periode van maximaal 7 aaneengesloten dagen alsnog een fossiele personenauto tijdelijk aanbieden, zonder pseudo-eindheffing te hoeven betalen.
Hierbij wil het kabinet benadrukken dat de pseudo-eindheffing alleen is verschuldigd als de auto mede voor privédoeleinden door de werkgever ter beschikking wordt gesteld. In de praktijk wordt veel tijdelijk vervoer – zoals huurauto’s – al nagenoeg volledig zakelijk gebruikt waardoor de pseudo-eindheffing al niet van toepassing is.
4 Vrijstelling voor lesauto’s
Ten vierde wordt een vrijstelling voor lesauto’s geïntroduceerd. Voorlopig zijn rijscholen op grond van de derde rijbewijsrichtlijn namelijk genoodzaakt om in fossiele auto’s rond te rijden, omdat dit nodig is voor een volwaardig rijbewijs B.
Rijscholen kunnen de pseudo-eindheffing volledig voorkomen door geen privékilometers met de lesauto te maken. Ook is geen sprake van woon-werkverkeer als een instructeur vanuit huis met de lesauto direct naar een leerling gaat, omdat dan geen sprake is van reizen naar een vaste werkplek. In de praktijk kunnen echter situaties ontstaan waardoor woon-werkverkeer of privékilometers toch niet helemaal zijn te voorkomen.
Het bewijzen dat een lesauto alleen zakelijk is gebruikt en ook niet voor woon-werkverkeer leidt tot een grote administratieve druk. Daarom wordt een specifieke vrijstelling voor lesauto’s geïntroduceerd. Dit leidt ook tot een lagere administratieve last voor deze groep.
Drie situaties
Daarnaast wil de staatssecretaris graag voor drie situaties verduidelijken of en zo ja in welke mate
pseudo-eindheffing verschuldigd is.
1 Heffingsrecht
Als het heffingsrecht van de mede voor privédoeleinden ter beschikking gestelde fossiele personenauto op grond van een belastingverdrag deels toekomt aan een ander land, mag deze verdeling van het heffingsrecht ook voor de pseudo-eindheffing fossiele personenauto’s worden toegepast.
2 Taxigebruik
Bij het (incidentele) gebruik van een taxi als passagier is geen sprake van een terbeschikkingstelling van de auto, waardoor de werkgever voor deze taxirit ook geen pseudo-eindheffing verschuldigd is. Dit is uiteraard anders wanneer een werknemer een vaste auto met chauffeur tot zijn beschikking heeft.
3 Concernregeling
Ten derde is een concernregeling niet nodig in de situatie dat een werknemer vanwege een fusie of overname van werkgever wisselt.
Het is op grond van doel en strekking van de pseudo-eindheffing mogelijk een uitzondering te maken bij fusies en overnames, waarbij de nieuwe werkgever in de plaats treedt van de oude werkgever, een wettelijke aanpassing is hier niet voor nodig. In geval van fusies en overnames kan het overgangsrecht dan van toepassing blijven.
Geen aanpassing bij wissel werkgever
De sector heeft tot slot ook gevraagd of een auto tot 1 januari 2031 gebruik kan blijven maken van het overgangsrecht, wanneer een werknemer wisselt van werkgever. Het kabinet stelt hier geen aanpassing voor.
Dit betekent dat zodra dezelfde auto door een andere werkgever (met een ander loonheffingennummer) ter beschikking wordt gesteld, het overgangsrecht in principe niet meer van toepassing is. Dit geldt ook binnen een concern als er sprake is van verschillende loonheffingennummers.
De pseudo-eindheffing is namelijk een werkgeversheffing. Aan welke werknemer een fossiele auto ter beschikking wordt gesteld is voor deze heffing niet van belang. Het past daarom niet in de systematiek om een auto over te laten gaan met behoud van overgangsrecht naar een andere inhoudingsplichtige.
Situaties van fusie en overname zijn hierop een uitzondering, zoals hierboven toegelicht. Daarnaast behoudt de werkgever het overgangsrecht voor een specifieke auto als deze auto gedurende de overgangstermijn ter beschikking wordt gesteld aan een andere werknemer.
Stand van zaken toezeggingen autobelastingen

