De nota naar aanleiding van het verslag inzake het wetsvoorstel tot Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het invoeren van een rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van een uurtarief is aangeboden aan de Tweede Kamer.
Het verduidelijkingsdeel van het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar) maakt geen onderdeel meer uit van het wetsvoorstel. Met de nota van wijziging is het eerder voorgestelde onderdeel verduidelijking van de beoordeling van het “werken in dienst van” te vervallen.
Rechtsvermoeden
De regering wijst erop dat het rechtsvermoeden de werkende ondersteunt in diens procesrechtelijke positie, en dat de toets of sprake is van een arbeidsovereenkomst plaats blijft vinden op basis van de wettelijke regels in artikel 7:610 BW. Als opdrachtgevers ervoor kiezen om een uurloon te betalen dat hoger ligt dan het uurtarief voor het rechtsvermoeden, wordt daarmee niet voorkomen dat er in voorkomende gevallen sprake kan zijn van schijnzelfstandigheid.
Uurtarief € 38
Het wetsvoorstel is ingediend op 7 juli 2025, zodat het op dat moment nog niet mogelijk was uit te gaan van het minimumuurloon per 1 januari 2026. Doordat het wetsvoorstel voorziet in indexatie van het tarief conform de indexatie van het wettelijk minimumloon, wordt het uurtarief wel conform aangepast. Met ingang van 1 januari 2026 bedraagt het wettelijk minimumuurloon € 14,71. Het uurtarief voor het rechtsvermoeden komt daarmee op € 38 (niet afgerond € 37,07).
Op basis van de raming van de contractloonontwikkeling uit de MEV2026 van CPB is de verwachte ontwikkeling van het minimumuurloon zoals hieronder weergegeven. De werkelijke ontwikkeling kan anders uitpakken. Dat komt doordat de indexaties plaatsvinden op basis van de dan beschikbare geactualiseerde ramingen.

Voor de berekening van het uurtarief is alleen het alternatief uit het SER-MLT advies bezien. Daarbij werd het uurtarief afgeleid van het maximumdagloon voor de werknemersverzekeringen. Uitgaande van het maximumdagloon per 1 januari 2025 (€290,67) en een 36-urige werkweek zou het uurtarief voor het rechtsvermoeden uitkomen op € 41 (niet afgerond € 40,37).
Hiervoor is niet gekozen omdat het rechtsvermoeden dient ter bescherming van kwetsbare werkenden en de regering het van daaruit redenerend beter uitlegbaar vindt het tarief te baseren op een afgeleide van het wettelijk minimumuurloon, dan van het maximumdagloon voor de werknemersverzekeringen.
Indexering uurtarief
De hoogte van het uurtarief wordt geïndexeerd, op hetzelfde moment en conform de indexatie van het wettelijk minimumloon (Wml). Een beleidsmatige verhoging van het wettelijk minimumuurloon wordt daarom meegenomen in de vaststelling van het uurtarief voor de toepassing van het rechtsvermoeden.
Onmiddellijke werking
Het wetsvoorstel kent onmiddellijke werking. De onmiddellijke werking betekent dat werkenden met ingang van de inwerkingtredingsdatum van dit wetsvoorstel een beroep op het rechtsvermoeden kunnen doen. Dit geldt ook voor arbeidsrelaties die zijn aangegaan voor de inwerkingtredingsdatum, maar op of na de inwerkingtredingsdatum nog bestaan. Of daadwerkelijk sprake is van een arbeidsovereenkomst wordt op dat moment getoetst aan artikel 7:610 BW zoals dat op dat moment luidt. Als blijkt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst, geldt dit voor de volledige duur van deze arbeidsrelatie.
Preventieve werking
De regering verwacht met name een preventieve werking van het rechtsvermoeden.
Een belangrijk verschil tussen het bestaande rechtsvermoeden uit artikel 7:610a BW en het voorgestelde rechtsvermoeden op basis van een uurtarief is dat het uurtarief vaak bij aanvang van de werkzaamheden bekend is, zodat de arbeidsrelatie niet al gestart moet zijn (en minimaal 3 maanden moet hebben geduurd) alvorens duidelijk is of op het rechtsvermoeden een beroep kan worden gedaan. Hiermee wordt naar verwachting het potentieel van het preventieve effect van het voorgestelde rechtsvermoeden ten opzichte van het rechtsvermoeden in artikel 7:610a BW vergroot.
Juiste kwalificatie arbeidsrelatie
Als daadwerkelijk juridische stappen moeten worden genomen om werkgevers te bewegen zich aan de regels te houden is dat juist voor flexibel en/of laagbetaalde werkenden soms lastig. Daarom is het kabinet van plan om voor deze groepen de mogelijkheden om professionele hulp te zoeken te verbeteren. Het uitgangspunt bij de beoordeling van de arbeidsrelaties blijft dat werkende en werkgevende verantwoordelijk zijn voor de juiste kwalificatie van de arbeidsrelatie.
Het kabinet spant zich aanvullend in om partijen te ondersteunen bij de verantwoordelijkheid om de arbeidsrelatie goed te kwalificeren. Dit gebeurt door inzet van onder meer een communicatiecampagne en de website hetjuistecontract.nl, waar ook praktijkvoorbeelden te vinden zijn.
Vakbond namens werkende
Verder is een aantal stappen in gang gezet om het doenvermogen voor werkenden te verbeteren. Een mogelijkheid is dat vakbonden een beroep op het rechtsvermoeden instellen namens de werkende. Het is onderdeel van de taken van de vakbond om de individuele en gezamenlijke belangen van werkenden te vertegenwoordigen. Dit geldt ook in geval een beroep op het rechtsvermoeden kan worden gedaan.
Regelrechter
Daarnaast is met ingang van 1 maart 2025 bij vier rechtbanken in Nederland gestart met laagdrempelige geschilbeslechting (ook wel bekend als de regelrechter). Daarmee staat een versimpelde procedure open voor werknemers met een vordering uit hoofde van de arbeidsovereenkomst en geldvorderingen van een natuurlijk persoon tot een maximum van € 5.000.
Schijnzelfstandigheid tegengaan
Er is geen schatting te geven van de mate waarin schijnzelfstandigheid wordt verminderd met de introductie van het rechtsvermoeden. Het kabinet denkt wel dat hiermee een bijdrage wordt geleverd aan het tegengaan van schijnzelfstandigheid aan de basis van de arbeidsmarkt.
Alhoewel een hoog tarief in zijn algemeenheid aangeeft dat geen sprake is van een werkende in een kwetsbare positie, is dit daarmee nog geen indicatie dat er geen sprake kan zijn van schijnzelfstandigheid.
Er is geen harde grens te trekken waarbij het uurtarief een duidelijke aanwijzing is voor schijnzelfstandigheid. Schijnzelfstandigheid doet zich niet alleen bij slecht beloonde werkenden voor, maar is verdeeld over de gehele spreiding van inkomens. Het cruciale element daarbij is immers of gewerkt wordt ‘in dienst van een ander’ (onder gezag). Dit is ook in het Europese recht het onderscheidende criterium tussen werknemers en zelfstandigen die voor eigen rekening en risico werken.
Sinds de opheffing van het handhavingsmoratorium is door verschillende partijen ten onrechte gesuggereerd dat schijnzelfstandigheid kan worden voorkomen door het oprichten van een bv. Dat klopt niet, omdat als het ware door deze constructie heen wordt gekeken als de rechtspersoon geen realiteitswaarde heeft, c.q. als de bv alleen wordt tussengeschoven voor het ontwijken van wet- en regelgeving.
120% wettelijk minimumloon
Een tarief zegt als zodanig weinig over de aard van de arbeidsrelatie, maar kan wel duiden op een bepaalde kwetsbaarheid van de werkende (beperkte onderhandelingsmacht).
Voor het vaststellen van kwetsbaarheid is de regering uitgegaan van 120% van het wettelijk minimumloon als basis voor de berekening van het uurtarief voor het rechtsvermoeden. Daarvan uitgaande komt het uurtarief uit op € 36 (peildatum 1 januari 2025).
Het rechtsvermoeden maakt het makkelijker voor de werkende die onder het van toepassing zijnde uurtarief krijgt betaald, om een arbeidsovereenkomst op te eisen. De beoordeling of er daadwerkelijk sprake is van een arbeidsovereenkomst vindt plaats volgens de reguliere wettelijke regels conform artikel 7:610 BW.
Particuliere opdrachtgevers
De regering heeft een uitzondering gemaakt voor particuliere opdrachtgevers (het rechtsvermoeden is niet van toepassing ten opzichte van particuliere opdrachtgevers). Verdere uitzonderingen zijn wat de regering betreft niet nodig, aangezien de feitelijke beoordeling of er sprake is van een arbeidsovereenkomst niet door het rechtsvermoeden verandert. Het rechtsvermoeden brengt dus bijverdieners niet in moeilijkheden. Ook voor die groep is er nog altijd ruimte. Daarnaast blijft het de keuze van partijen zelf om al dan niet een beroep op het rechtsvermoeden te doen.
Civielrechtelijke werking
Het rechtsvermoeden heeft uitsluitend civielrechtelijke werking. Omdat het gaat om een puur civielrechtelijk rechtsvermoeden, geldt het rechtsvermoeden uitsluitend tussen werkende en werkgevende. Het rechtsvermoeden werkt niet (publiekrechtelijk) door naar de uitvoering van de socialezekerheidswetgeving en de fiscaliteit. Dit betekent dat de Belastingdienst niet toetst aan het rechtsvermoeden. De Belastingdienst heeft zijn eigen onderzoeksplicht. De Belastingdienst beschikt vooraf niet over het uurtarief van een werkende waardoor het uurtarief niet in de handhavingsstrategie van de Belastingdienst kan worden meegenomen.
Ontwijken rechtsvermoeden
De regering erkent dat er mogelijkheden zijn om de wet- en regelgeving te ontwijken. Het uurtarief is een relatief eenvoudig criterium, waarmee de werkende zich kan beroepen op het rechtsvermoeden. Het rechtsvermoeden versterkt daarmee de positie van de werkende doordat die makkelijker een arbeidsovereenkomst kan claimen. De regering wijst er echter op dat de uiteindelijke toets of sprake is van een arbeidsovereenkomst gebaseerd blijft op arbeid, loon en werken in dienst van (gezag). Het ontwijken van het rechtsvermoeden verandert daarom niet de beoordeling van de arbeidsrelatie.
Modelovereenkomsten
De modelovereenkomsten worden uitgefaseerd. De reden hiervoor is dat modelovereenkomsten beperkte toegevoegde waarde hebben voor de kwalificatie van arbeidsrelaties voor de loonheffingen. Alle goedgekeurde modelovereenkomsten op 6 september 2024 zijn van kracht tot eind 2029.
In het handhavingsplan arbeidsrelaties tranche 2025, is aangeven dat als blijkt dat een modelovereenkomst door nieuwe wetgeving niet meer voldoet of als blijkt dat niet volgens de voorwaarden in de modelovereenkomst gewerkt wordt of kan worden, deze modelovereenkomst wordt ingetrokken.
Inwerkingtreding
Het beoogde tijdstip van inwerkingtreding van de maatregelen in dit voorstel 1 juli 2026 is, mits uitvoerbaar. Hoe verhoudt deze datum van inwerkingtreding zich tot de mijlpaal uit het Europese Herstel- en Veerkrachtplan (HVP) over bekendmaking in de Staatcourant van een wet tot wijziging van de definitie van het begrip arbeidsrelatie.
De HVP-mijlpaal ziet op het verduidelijkingsdeel van het wetsvoorstel Wet Verduidelijking Beoordeling Arbeidsrelaties en Rechtsvermoeden (Wet Vbar). Om een financiële korting te proberen te voorkomen is het kabinet in gesprek met de Europese Commissie over aanpassing van deze mijlpaal. Uit deze gesprekken blijkt dat hiervoor in ieder geval noodzakelijk is dat het onderdeel rechtsvermoeden uiterlijk 31 augustus 2026 is gepubliceerd in het Staatsblad.

