Figuur 1 geeft de verwachte AOW-druk uit het afgelopen rapport van de Studiegroep Begrotingsruimte weer. Die laat zien dat de AOW-druk per 2033 ongeveer 35% is.
In 2040, 2050 en 2060 is dat respectievelijk ongeveer 37%, 35% en 34%. De AOW-druk wordt berekend op basis van de bevolkingsprognose. Dat is het aantal mensen in werkzame leeftijd (vanaf 20 tot AOW-leeftijd) ten opzichte van het aantal mensen boven de AOW-leeftijd in Nederland. De AOW-gerechtigden die in het buitenland wonen worden hierin dus niet meegerekend.
Figuur 1

In onderstaande figuren uit het CPB-rapport ‘Zorgen om morgen’ uit 2019 wordt ingegaan op de gevolgen van de vergrijzing voor onder meer de AOW. Ook wordt stilgestaan bij de AOW-druk. Als je de figuur met die hieronder vergelijkt, kun je zien dat de verwachting van de AOW-druk is afgenomen voor 2033 en opgelopen voor 2060. Dat betekent dat de verwachting nu is dat op de lange termijn het aantal mensen boven AOW-leeftijd hoger is dan toen het pensioenakkoord werd gesloten.

In onderstaande tabel wordt weergegeven wat de verwachtingen waren ten aanzien van de ontwikkeling van de AOW-uitgaven als percentage van het BBP. De cijfers zijn afkomstig uit het CPB-rapport ‘Zorgen om morgen’ (2019) en het rapport van de 18e Studiegroep Begrotingsruimte (2025). De percentages voor 2033 en 2050 zijn niet beschikbaar.

AOW-druk
De verwachting is dat in 2033 de AOW-druk minder hoog uitvalt dan in 2019 verwacht werd, maar in 2060 juist hoger dan in 2019 verwacht werd. Dit betekent dat nu de verwachting is dat op de lange termijn het aantal mensen boven AOW-leeftijd hoger is dan toen het pensioenakkoord werd gesloten. De AOW-uitgaven als percentage van het BBP vallen volgens de prognoses uit 2025 lager uit dan in 2019 verwacht werd. Daarbij zijn niet alleen de AOW-uitgaven zelf, maar ook de ontwikkeling van het BBP van belang.
Op het gebied van de financiering van de AOW constateerde het CBS in 2024 dat voor het eerst meer dan 50% van de AOW-uitkeringen gefinancierd uit de algemene middelen oftewel belastinggeld. Dit betekent dat premie-inkomsten de AOW-uitkeringen steeds minder dekken.
Sinds 2001 zijn de AOW-premies niet meer toereikend om de volledige uitkeringen te dekken, omdat de AOW-premie op 17,9% is gemaximeerd. Het aandeel van de AOW-uitkeringen dat het Rijk vanuit de algemene middelen aanvult, neemt een steeds groter deel van de overheidsuitgaven in beslag.
Vergrijzing en verhoging uitkeringen
De sneller stijgende AOW-uitgaven komen vooral door de vergrijzing. Daarnaast zijn de uitkeringen zelf verhoogd, omdat ze gekoppeld zijn aan de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon (Wml). De premie-inkomsten stijgen veel minder dan de uitgaven. De verwachting is dat het aandeel gefinancierd vanuit algemene middelen in de toekomst verder zal toenemen.
Uitkeringslasten AOW stijgen
Wat is volgens u de reden dat het kabinet van plan is de AOW versneld te verhogen?
De uitkeringslasten van de AOW stijgen vanwege de toename van het aantal AOW’ers door de vergrijzing. Daarnaast stagneert de groei van de beroepsbevolking. Het gevolg is dat premies in de toekomst door minder werkenden moeten worden opgebracht en de AOW een groter beslag op de Rijksbegroting legt. Daarom adviseerde de Studiegroep Begrotingsruimte om maatregelen te nemen die gericht zijn op het verlagen van de vergrijzingsgevoelige uitgaven.
De uitgaven aan de AOW volgens de 2/3e koppeling en 1-op-1 koppeling is hieronder weergegeven. Dit bevat niet de weglek naar andere sociale zekerheid.


Gebruik uitkeringen stijgt niet
Uit de meest recente ‘Monitor verhoging AOW-gerechtigde leeftijd’ van SEO Economisch Onderzoek blijkt niet dat het actieve gebruik van de WW, WIA of bijstand toeneemt door de geleidelijke verhoging van de AOW-leeftijd. Er is geen actief substitutie-effect, waarbij ouderen eerder zouden stoppen met werken om in de periode tussen de oude en de verhoogde AOW-leeftijd een uitkering te gebruiken, zoals SEO dit omschrijft.
Sinds 2013 is de AOW-leeftijd gestegen van 65 jaar naar 67 jaar in 2026. Door de verhoging blijven mensen die al een WW-, WIA- of bijstandsuitkering ontvangen langer in deze uitkering. Dit wordt het passieve substitutie-effect genoemd. Hoewel het risico op instroom in deze uitkeringen toeneemt, zijn er geen aanwijzingen dat ouderen massaal rond hun 65ste of rond de nieuwe AOW-leeftijd bewust instromen in sociale zekerheid. Het ministerie van SZW monitort de effecten van de verhoging van de AOW-leeftijd jaarlijks.
1-op-1-koppeling
De raming van het CPB over de budgettaire gevolgen van de 1-op-1 koppeling van de AOW aan de levensverwachting sluit aan op de raming zoals opgenomen in het Coalitieakkoord.
De 1-op-1 koppeling leidt tot een besparing op de AOW-uitgaven in 2060. Tegelijkertijd leidt dit er toe dat mensen een langere periode een andere uitkering ontvangen of voor de periode dat zij later een AOW ontvangen een andere uitkering instromen.
Weglekeffecten
Deze weglekeffecten naar andere sociale zekerheid zijn gebaseerd op een analyse over realisatiecijfers uit 2019 t/m 2021. Hierin is geanalyseerd wat de totale uitgaven aan andere sociale zekerheid is van de groep mensen die in een gegeven jaar de AOW instromen. Uit deze analyse blijkt dat de totale uitgaven aan andere sociale zekerheid voor de mensen die op het punt staan de AOW-leeftijd te bereiken ca. 45% is van de uitgaven aan AOW zodra zij zijn ingestroomd.
Met andere woorden, de uitgaven aan overige sociale zekerheidsuitkeringen, als gevolg van een hogere AOW-leeftijd, bedragen 45% van het bedrag dat anders aan de AOW uitgegeven zou zijn. Als de AOW-leeftijd omhoog gaat zit deze groep dus langer in de betreffende socialezekerheidsuitkering.
Deze analyse ziet echter alleen op de totale Rijksuitgaven. Er kunnen geen conclusies worden verbonden over het aantal mensen om wie dit gaat aangezien de gemiddelde hoogte van de AOW niet gelijk is aan de gemiddelde hoogte van de andere uitkeringen.
Circa 34 procentpunt van de 45% aan weglek gaat immers om Arbeidsongeschiktheids-, WW en Ziektewetuitkeringen. De gemiddelde uitkeringshoogte hiervan ligt aanzienlijk hoger dan de gemiddelde hoogte van een AOW-uitkering.
De 45% aan weglek zegt dus uitsluitend iets over de Rijksuitgaven, maar niet over het aantal mensen dat een uitkering ontvangen in plaats van inkomen uit werk voordat zij de AOW instromen.
Uitsplitsing weglekeffect
Op basis van de analyse op basis van cijfers uit 2019 t/m 2021 kun je zien wat de geraamde toename aan uitgaven aan deze regelingen is. Hieronder is de uitsplitsing van het weglekeffect naar andere sociale zekerheid weergegeven t/m 2035 en structureel.

Pas op de plaats
Het kabinet heeft de sociale partners goed gehoord. Met betrekking tot de aanpassing van de koppeling van de AOW-leeftijd aan de levensverwachting maakt het kabinet een pas op de plaats. Het kabinet gaat samen met de Tweede Kamer en met de sociale partners in de komende periode kijken of, en zo ja, welke alternatieven er mogelijk zijn. In de verkenning en uitwerking wordt rekening gehouden met de mogelijke samenloop van regelingen.

